Op de koffie bij Gerrit en Toos (10)

Wouter kon het niet laten om een stukje te rennen nadat hij afscheid had genomen van Ildikó, die hem had uitgezwaaid totdat ze hem niet meer zag. Gewoon, omdat hij geen andere manier wist om de opluchting, die door zijn lijf gierde, te vieren. Wind in zijn haren, happen naar lucht, zijn hart voelen kloppen in zijn slapen en voelen dat hij leefde, dat was alles wat hij nu even nodig had. Het kon hem niet schelen dat iemand hem zag rennen. Hijgend en puffend bereikte hij het einde van de straat. Om op adem te komen ging hij languit in het gras van de berm liggen. Het was eeuwen geleden dat hij voor het laatst gerend had. In Nederland had hij vanwege zijn drukke baan daar geen tijd voor en in Hongarije wilde hij niets anders dan luieren. Bovendien was het niet gebruikelijk om, ondanks de mooie omgeving met slingerende wegen door velden en bossen, te gaan hardlopen. Als fietser moest je al oppassen dat je niet van je sokken gereden werd door een Hongaar met maar één stand op het gaspedaal, namelijk 'plank-gas', laat staan als een hardloper langs de rand van de weg zou rennen.

Terwijl hij in het gras lag uit te puffen en keek hoe de wolkjes in de lichtblauwe lucht boven hem samen op weg waren naar dezelfde bestemming, besloot hij om niet naar huis terug te lopen. Hij wist dat Colette al uren op hem zat te wachten en zodra hij thuis zou komen, zou zij hem bombarderen met vragen over zijn wonderbaarlijke genezing van zijn griep. Dat was het wel het laatste waar hij nu behoefte aan had. Nee, geen Colette en geen vragen, hij wilde zo lang mogelijk genieten van het gevoel dat hij bevrijd was van die maandenlange last en daarom sprong hij op en wandelde verder.

Een paar honderd meter verderop trof hij de Hongaren, die hem eerder op de dag zo joviaal hadden begroet met "jó munka" en waar hij toen geen snars van had begrepen. Nu begreep hij het allemaal en genoot hij van die nieuwe wetenschap dat het hele dorp in de veronderstelling was dat hij de weldoener was die de straatarme Ildikó veel geld had gegeven zodat zij daar een nieuw bestaan mee kon opbouwen. Uitgelaten gaf hij de Hongaren allemaal een hand en riep met iets te luide stem:" Igen, szép istaló, sok disznó" (Ja, mooi, mooie stal, veel varkens). Hij voelde zijn trots als een warme gloed naar zijn wangen stijgen toen hij de Hongaren instemmend zag knikken. Met grote gebaren tekende hij het dak van de stal in de lucht en wees naar zichzelf. Zonder op een reactie te wachten liep hij door, de Hongaren achter zich latend. Hij stak een aantal keren schokkend zijn kin vooruit, alsof zijn hoofd mee dreunde op een stevige beat, 'Yesss, I'm the man' zong hij met een baritonstem. De opluchting die hij had ervaren nadat hij had ontdekt dat hij helemaal geen papa was geworden, was langzaam weggeëbd en had plaatsgemaakt voor een gevoel van triomf en gewichtigheid.

Wouter kon weer genieten van de vrijheid, van Hongarije en van het huis in Kisvidék. Bovendien was het een waanzinnig gevoel te weten dat niemand, zelfs Ildikó niet, wist dat hij in de veronderstelling was geweest dat Ildkó zwanger van hem was en dat hij dat geld had opgestuurd om dat foutje onder het tapijt te vegen. Negen kut maanden had hij zijn geest zitten pijnigen en had hij heel veel geld opgestuurd. Achteraf dus allemaal voor noppes geweest. Maar erg lang spijt van dat vele geld dat hij haar had gegeven, had hij niet. Hij genoot nu van de gedachte dat niet alleen Ildikó in de veronderstelling was dat hij een gulle gever was, iemand met het hart op de goede plek, maar dat het hele dorp dacht dat Wouter de onbaatzuchtige buitenlander was die het Hongaarse vrouwtje, dat financieel aan de grond zat, een nieuw bestaan cadeau had gedaan. 

Toen hij op de splitsing aankwam die hem de keus gaf om terug te lopen naar huis of om het dorp uit te lopen, bleef hij even staan om de omgeving in zich op te nemen. Hier in dat straatje moet Gerrit en Toos ergens wonen, dacht hij en liep zonder aarzeling het doodlopend straatje in. Hij hoefde zich niet langer te verstoppen dus wat lette hem om bij Gerrit een kijkje te gaan nemen. Dan kon hij ook in een adem die ongemakkelijke situatie, toen Gerrit hem in zijn huis had gezien, rechtbreien. Een kleine echtelijke twist, daar zal ik het op houden als Gerrit iets zou vragen, dacht hij en hij liep naar het laatste huis in de straat. Hij haalde zijn vingers een paar keer door zijn haar, stopte zijn te grote overhemd in zijn broek en wreef die glad.

"Hé, die Gerrit" riep Wouter toen hij Gerrit voorover gebogen in de tuin zag werken. "Straffe werkschoentjes" riep hij er joviaal achteraan. Gerrit keek verbaasd op. Hij verwachtte geen buitenlands bezoek en al helemaal geen Wouter. Een beetje beduusd door de overweldigende begroeting liep hij naar de poort. Hem buiten laten staan gaat me niet lukken, dacht Gerrit, dus opende hij langzaam de ijzeren toegangspoort. Wouter greep de poort vast en duwde eraan waardoor ze met een grote zwier open zwaaide en in een paar struiken verdween. Terwijl Wouter de hof op liep moest Gerrit uit alle macht trekken om de poort uit de struiken te trekken. Gerrit vloekte inwendig maar liet niets blijken. Hij wilde net gaan vragen of Wouter zich na vanmorgen iets beter voelde maar Wouter barstte los en er leek geen einde te komen aan de woordenwaterval. Gerrit was stomverbaasd over het grote verschil met de lamlendige man die hij die morgen had aangetroffen. "Een zoutzak die geen woord uitbrengt, een botzak, in een luxe huis met een over het paard getilde vrouw" had hij tegen Toos verteld. "Ach, gatver, dat moeten wij weer hebben" had Toos geantwoord, "zoveel plaats in Hongarije en net in het dorp waar wij wonen, zitten van die snobs. Daar zitten we dan maar mooi mee opgescheept," had Toos zitten sputteren. Gerrit hoorde het antwoord wat hij toen gaf nog nagalmen in zijn hoofd: "Och, Toosie, maak je geen zorgen, daar zullen we geen last van hebben, die komen hier niet, wij zijn niet van hetzelfde, weet je". "Nog geen halve dag later heb ik die pipo voor mijn poort staan" mompelde Gerrit tegen zichzelf terwijl hij de trap naar het huis opliep.

Om niet onbeleefd te zijn, nodigde Gerrit  hem uit om in huis een kop koffie te gaan drinken, dan kon hij ook kennis maken met Toos. Maar Wouter liet zich niet zomaar mee naar binnen voeren. In plaats van in te gaan op Gerrits uitnodiging liep Wouter de andere kant uit en bleef midden in de tuin staan. Zo kon hij het huis over de volle lengte bekijken. "Leuk optrekkie heb je hier" riep hij naar Gerrit, "maar wel nog een bak werk hier zo, wil je er iets leuks van maken" voegde hij er droogjes aan toe. Gerrit had zijn klompen al uitgeschopt en op zijn sokken stond hij op Wouter te wachten. "Nog steeds dezelfde bullebak", mompelde hij tegen zichzelf en liep naar de voordeur.  "Ja, ja, ik kom", riep Wouter vanuit de tuin en op een drafje kwam hij aangelopen. Gerrit deed zijn best om een lachje op zijn gezicht te toveren en opende de deur. Wouter liep zonder aarzelen naar binnen en trof Toos aan die in de keuken aan het aanrecht stond te werken. "Toos" riep Gerrit, "mag ik je voorstellen, Wouter, van het huis boven in het dorp."

Toos draaide zich om en gaf Wouter een afstandelijk handje. "Neem plaats" zei ze allervriendelijkst terwijl ze een stoel onder de tafel vandaan trok. Terwijl Wouter breeduit aan tafel ging zitten, liep Toos langs Gerrit terug naar het aanrecht, keek hem betekenisvol aan en beet hem toe: "Hebben we geen last van, zei je?"

Copyright Asztrid

De spanningen lopen hoog op in huize Wouter/Colette (9)

Op het moment dat Gerrit zijn huis binnenliep, de broodjes op het aanrecht legde en Toos een dikke pakkerd op haar wang gaf, barstte in huize Wouter/Colette de bom. Na het bezoekje van Gerrit was Colette helemaal over haar toeren geweest omdat ze vond dat Wouter zich vreselijk misdragen had. Wouter had haar scheldtirade niet langer kunnen verdragen en was het huis uit gevlucht; hij wilde weg, zo ver mogelijk weg van alles en iedereen.

Het voorjaarszonnetje scheen uitbundig in Kisvidék maar Wouter had geen oog voor zijn omgeving, hij verborg zijn gezicht in de hoge kraag van zijn jas en liep als een opgejaagd dier door de straat. Het liefst wilde hij onzichtbaar worden, verdwijnen als sneeuw voor de warme Hongaarse voorjaarszon. Ondertussen pijnigde hij zijn hersens over hoe hij uit deze benarde positie kon geraken. Hij dacht terug aan wat hij in Nederland allemaal had moeten doen om zijn probleem geheim te houden. Om Colette zo veel mogelijk te ontwijken, had hij haar wijsgemaakt dat hij veel op kantoor moest overwerken. In werkelijkheid had hij vaak tot ’s avonds laat in een café de uren zitten aftellen. Om te voorkomen dat Ildikó hem nog eens zou opbellen, had hij een nieuwe smartphone gekocht en tegen Colette verteld dat hij de oude kwijt was. Over Hongarije sprak hij niet meer en om van Ildikó af te geraken stuurde hij haar met regelmaat grote sommen geld. Via de bank overmaken was onmogelijk, hij wist haar rekeningnummer niet, bovendien zou Colette de afschrijvingen ontdekken. In plaats daarvan had hij bankbiljetten in gewone enveloppen gestopt en op goed geluk naar het adres van Ildikó gestuurd. Zijn gevoel zei hem echter dat dat niet genoeg was. Hongarije moest helemaal uit zijn leven verdwijnen, eerder zou hij geen rust vinden. Eén bezoekje aan Kisvidék en Colette zou zijn grote geheim ontdekken. En daarom had hij een plan. Hij wist dat Colette zich niet thuis voelde tussen de boeren op het Hongaarse platteland, zij was meer een stadsmens en daarom ging ze niet graag naar Hongarije. Dit was het moment om gebruik te maken van Colettes tegenzin en daarom stelde hij voor om het huis in Hongarije te verkopen. Hij wist zeker dat ze zou toehappen, maar in plaats van dat Colette blij was om verlost te zijn van hun huis in dat boerengat, vatte ze Wouters idee op als een keihard bewijs dat hij zwaar overspannen was en dwong ze hem vervolgens om in het voorjaar samen een dikke week vakantie te gaan vieren in Hongarije, Wouter moest tot rust komen. Wouter had hevig tegengesputterd maar kon er niet meer onderuit komen, hij zou in het voorjaar naar Hongarije gaan.

Sinds zijn aankomst, een paar dagen geleden, durfde hij zich niet buiten te vertonen en daarom verstopte hij zich in het huis en loog Colette voor dat hij zich grieperig voelde. In werkelijkheid voelde hij zich echter afschuwelijk belabberd onder deze idiote omstandigheden want alleen hij wist dat er een aantal straten verderop een vrouw woonde die hij zwanger had gemaakt. Hij was dan wel gevlucht van de scheldende Colette maar nu liep hij over straat midden in Kisvidék, een misselijkmakend gevoel bekroop hem omdat hij zich ervan bewust was dat iedereen hem kon zien. Plotseling voelde hij een kracht die hem tegenhield; een hand die met een doffe klap op zijn schouder terecht kwam. Instinctief dook hij in elkaar en greep zijn hoofd vast, wachtend op een klap. In plaats daarvan hoorde hij achter zich een zware stem die vrolijk “Sziáááá, barát - hallo vriend” uitriep. Om zijn schrikreactie te verdoezelen, wreef hij  overdreven over zijn oren alsof ze jeukten en draaide zich langzaam om. Hij keek recht in het gezicht van een grote Hongaar die met een brede grijns op zijn papperige gezicht zijn ontbrekende tanden showde. Met beide handen sloeg hij Wouter keihard op zijn schouders, toen pakte hij zijn ijskoude hand vast en schudde die hevig op en neer ondertussen een onverstaanbare woordenbrij over hem uitstortend. Het enige wat Wouter begreep, was jó munka, jó munka... wat hij begreep als ’goed werk’. De enthousiaste Hongaar pakte hem weer beet, draaide zijn lichaam zodat Wouter richting de overkant van de straat keek. Daar zag hij een paar Hongaren. Blijkbaar waren ze bezig geweest met grasmaaien want de bosmaaiers lagen er werkeloos bij en de kerels lagen languit in het gras. De dikke Hongaar riep iets onverstaanbaars naar de overkant en wees op Wouter. Daarop stonden ze op en hielden allemaal tegelijk hun fles bier hoog in de lucht en schreeuwden in koor “jó munka Wouter!!” Wouter had geen idee wat ze daarmee bedoelden maar hij bedankte zich toch en probeerde zich los te maken uit de amicale omhelzing van de vadsige Hongaar. Hij bedankte hem ook zonder te weten waarvoor en liep snel verder, niet wetend waar naar toe…

Hij probeerde dit merkwaardige voorval te ontrafelen. Waarom waren die Hongaren plotseling zo joviaal en uitgelaten vriendelijk tegen hem, waarom dat “goed werk”? Waarom doen alsof ik iets gepresteerd heb, vroeg hij zich af. Als ze weten wat ik Ildikó heb aangedaan dan had ik eerder een pak slaag verwacht, een afrekening door een paar dorpsgenoten die het voor haar opnemen. Hij begreep er niets van. Of zijn ze op de hoogte van de situatie en waarderen ze dat ik Ildikó geld heb gestuurd, vroeg hij zich hardop af. Dat ik mijn verantwoordelijkheid als vader heb genomen en alimentatie betaal voor mijn kind. Hij zuchtte maar voelde geen opluchting bij deze gedachte want dat zou tevens betekenen dat alle inwoners van Kisvidék op de hoogte waren en zwegen tegen Colette. Want aan Colette had hij niets raars opgemerkt toen ze terug kwam uit het dorp. Het was in het winkeltje het ideale moment geweest om in het huwelijk van die Nederlanders te stoken en aan Colette te verklappen dat Ildikó zwanger was geraakt van haar man. “Maar waarom zwijgt iedereen,” vroeg hij zich af. 

Wouter vervolgde doelloos, ploegend door zijn eigen gedachten-akker, zijn weg. Hij had geen oog voor het heerlijke zonnetje dat zijn best deed om de huizen en tuinen op te vrolijken met mooie voorjaarskleuren. Hij hoorde niet hoe uitbundig de vogels kwetterden terwijl die her en der op de boven elkaar hangende elektriciteitsdraden zaten, waardoor ze ongewild muzieknoten op een notenbalk vormden die hun eigen lied schreven. Hij zat gevangen in een cocon die hijzelf gesponnen had, gevangen in zijn eigen gecreëerde probleem. Een vrouwenstem trok hem uit zijn moeras van gedachten. Hij schrok, hij herkende de stem, het was Ildikó. Hij keek op en zag hoe ze met de voor haar typische sensuele zwierige manier van lopen naar hem toe liep. Hij kromp ineen en kneep zijn ogen dicht in een schamele poging om deze ontmoeting niet mee te hoeven maken maar Ildikó merkte het in haar enthousiasme niet op. Ze ging op haar tenen voor hem staan en gaf hem een zoen. Toen haakte zij haar arm onder de zijne en trok Wouter mee. Hij had geen kracht meer om zich te verzetten en daarom liet hij zich door haar meevoeren naar haar huis. Zijn verzet was gebroken en had plaats gemaakt voor chaos en angst. Hij hoorde haar vertellen maar het was alsof haar stem ergens uit de verte kwam. Het geluid vervormde in zijn hoofd waardoor hij niets kon verstaan. Haar arm om de zijne voelde als een dwingende knoop waaruit hij niet meer kon ontsnappen. Opeens realiseerde hij zich dat ze bij haar huis waren aangekomen, hij probeerde zich los te maken uit de knellende greep van Ildikó maar het lukte niet. Haar blik ontwijkend, tastten zijn ogen haar lichaam af, op zoek naar tekens van wat hij haar gegeven had. Maar haar taille was net zo smal als tijdens hun laatste ontmoeting, negen maanden geleden. Negen maanden geleden, gierde het door zijn hoofd, “O-god-nog-aan-toe ze is inmiddels bevallen” kreunde hij hardop.

Terwijl Ildikó het poortje bij haar voortuin opende en naar de voordeur van haar huis liep, bleef Wouter op het trottoir staan; hij durfde niet naar binnen. Ildikó liep terug, trok hem aan zijn jas achter haar aan en zei op dwingende toon “Gyere, gyere – kom, kom Wouter.” Als een schaap dat naar de slachtbank wordt gevoerd, liet hij zich meevoeren naar de woonkamer. Hij voelde zich een vreemde in het huis, hij was nog nooit in het woonhuis van Ildikó binnen geweest. Hij kende wel het erf en de stal met kippen waar hij altijd eieren kocht. De stal waar hij met Ildikó in het stro had gelegen. Die dag had hij een groot bedrag achter gelaten voor de eieren die hij gekocht had, als een soort afkoop voor de zonde die hij had begaan in de stal met Ildikó.

Nu zat hij in haar woonkamer. Een kleine ijskoude kamer met kale muren en ingericht met versleten meubilair dat ergens uit de jaren 70 van de vorige eeuw stamde. Her en der stonden plastic figuurtjes in verschoten kleuren en onder de vale sprei op het salontafeltje ontsnapte een diepe kras. Een akelig gevoel bekroop hem toen hij een zware massief houten deur zag in de hoek van de kamer. De babykamer, flitste het door zijn hoofd en hij spitste zijn oren om te horen of er babygeluiden door de deur ontsnapten. Hij bleef roerloos op de oude bank zitten en durfde niets te zeggen. Ildikó had inmiddels twee glazen met rode wijn gevuld. Ze ging vlak naast hem zitten waardoor haar benen de zijne raakten. Ze gaf hem het glas wijn en hief het hare: “Gesuntheit, auf uns” zei ze vrolijk en dronk haar glas in één teug leeg. Wouter zocht naar woorden maar Ildikó tikte met haar wijsvinger onder zijn hand om hem te manen zijn glas leeg te drinken. Slaafs deed hij wat ze van hem verlangde. Met een ruk trok ze het lege wijnglas uit zijn hand en zette het ruw op tafel. Ze boog zich naar hem toe, gaf hem een natte zoen midden op zijn mond en met trillende stem fluisterde ze in zijn oor: “Gyere, … nézel…du schauwe - kom, kom kijken.” Ze hield zijn hand stevig vast en trok hem mee door de kamer naar de zware houten deur. Hij kneep zijn ogen stijf dicht en hoorde hoe de deur open zwaaide en voelde hoe Ildikó hem mee naar binnen trok. Ze liet hem los en Wouter bleef stokstijf staan, langzaam opende hij zijn ogen.

Hij stond in een stal. Een stralend witte stal, waar zonnestralen naar binnen drongen en op de ruggen van een stuk of tien varkens schenen. Hij keek naar Ildikó die zich dicht tegen hem aan drukte en hem verliefd aankeek. “Baba?…baby?” stotterde Wouter terwijl hij zich omdraaide en terug wilde lopen naar de woonkamer. Opgewonden trok Ildikó hem verder de stal in. Ze wees naar een hoek van de stal waar tientallen kleine biggen rond dartelden in een dikke laag stro. Ze zei: “Igen, itt baby…kleine baby… du nicht verstehen? … telefon…ich sage schwein - Ja, hier baby, kleine baby, heb je het niet begrepen? …. telefoon…ik zei toch varken.”

Wouter voelde zijn benen niet meer en verloor zijn evenwicht. Hij greep zich vast aan een stalen buis terwijl Ildikó in een mengeling van Hongaars en belabberd Duits vrolijk bleef door brabbelen; ze vertelde dat ze hem vorig jaar speciaal had opgebeld om hem te vertellen dat zij verrast was geweest door het fikse bedrag dat hij stiekem had achtergelaten voor het doosje eitjes en dat zij van dat geld twee jonge zeugen had gekocht om mee te gaan fokken. Zij had hem daarvoor persoonlijke willen bedanken omdat dat geld haar redding was geweest. Ze zat destijds financieel helemaal aan de grond. Maar helaas werd halverwege de verbinding verbroken en had ze daarna nog talloze keren geprobeerd Wouter terug te bellen maar dat was niet meer gelukt. Ildikó had dat erg gevonden want ze had Wouter ook heel graag willen bedanken voor de enveloppen gevuld met bankbiljetten die ze regelmatig in haar brievenbus gevonden had. Met dat vele geld had ze niet alleen de mogelijkheid gehad om nog meer varkens aan te schaffen om vet te mesten maar het was meer dan voldoende geweest om de oude vervallen stal compleet te renoveren.

Wouter keek haar vol ongeloof aan. Hij ging op een van de rondslingerende hooibalen zitten en Ildikó bleef hem vragend aanstaren. “Du verstehen?” vroeg ze onzeker. Ze knielde voor Wouter en legde haar handen op zijn benen. “Begrijp je het?” herhaalde ze met twijfel in haar stem, terwijl ze zich afvroeg af of hij haar mengeling van Hongaars en Duits begrepen had. Wouter keek haar recht in haar ogen en knikte langzaam. Nog nooit had hij zó goed begrepen wat zij hem had verteld. De realiteit begon langzaam tot hem door te dringen maar hij kon het niet geloven. Op zoek naar bewijs dwaalden zijn ogen af van Ildikó naar de ruimte waarin hij zich bevond. De oude donkere en muffe stal had plaatsgemaakt voor een mooie wit geverfde ruimte. De kleine vieze ramen die destijds iedere lichtstraal tegenhielden waren vervangen door grote moderne kozijnen waardoor er voldoende licht in de stal viel. Nieuwe stalinrichting waarin dikke roze lijven lagen te knorren in goudgeel stro en tientallen kleine biggen speelden tikkertje. Hij leunde achterover, staarde naar het hoge dak en liet zijn ogen langs de ontelbare rijen gloednieuwe dakpannen glijden, “een nieuw dak” mompelde hij als bevestiging. Hij sloot zijn ogen en zijn neus snoof de stallucht op. Meteen herkende hij de weeïge geur van stro en stront en hij dacht terug aan het intieme moment dat hij negen maanden geleden met Ildikó op deze plaats had beleefd. Langzaam verscheen er een lach op zijn gezicht…..


© Asztrid

Gerrit ontmoet Colette en Wouter (8)

Het was bijna half tien in de ochtend toen Gerrit onderweg was naar het dorpswinkeltje. Hij had er een gewoonte van gemaakt om iedere dag naar het winkeltje te lopen aan de andere kant van het dorp om daar verse broodjes te kopen. Die wandeling vond hij ontspannend en hij genoot iedere keer weer opnieuw als hij de oude boerenhuizen passeerde. Dat beeld was hem inmiddels zo vertrouwd geworden dat hij iedere scheur in de gevels herkende en iedere nieuw scheefliggende dakpan viel hem op. Ook kende hij alle erfhonden die hem van achter de hoge hekken agressief aanblaften. Met enkele exemplaren had hij vriendschap gesloten. In plaats dat ze hun tanden lieten zien zodra ze Gerrit zagen, stonden ze te kwispelen. Ze hadden in de gaten dat ze getrakteerd werden op een flinke knuffel en Gerrit viste iedere keer een paar hondenbrokjes uit zijn jaszak.

Op weg naar het winkeltje passeerde Gerrit ook elke dag het huis van Wouter en Colette. Toen in de winter het hele dorp nog bedekt was met een pak sneeuw, had hij niet veel verschil met de overige huizen kunnen ontdekken. Het enige zichtbare verschil waren de spiksplinternieuwe luiken en een gevel zonder afgevallen stucwerk en scheuren. Bij het verdwijnen van de sneeuw en de komst van het voorjaar werd het verschil steeds duidelijker. Hadden de buurhuizen een grote kale, door loslopende kippen platgetrapte leemvlakte als hof, en lag die bezaaid met oud ijzer waardoor het op een schroothandel leek, bij het huis van Wouter en Colette voerde een brede, met roze klinkers bestrate oprit naar een grasmat zo glad als een biljartlaken. Coniferen naast elkaar en in dwingende geometrische vormen gesnoeid, leken op butlers die in een kaarsrechte rij stonden opgesteld om de arriverende gasten te verwelkomen.

Gerrit stopte en bleef wijdbeens staan voor het huis van Wouter en Colette. Met zijn handen diep in zijn broekzakken keek hij door de spijlen van de afrastering naar de tuin en het huis dat zoveel verschilde met de overige huizen. Hij liet zijn blik over de hof gaan. Kolerenogantoe, het ontbreekt nog aan een tuinkabouter en de Nederlandse vlag, dacht hij en hij kon een smalend glimlachje niet onderdrukken. Hij bekeek het huis en de bijgebouwen en een gevoel van medelijden bekroop hem. Medelijden met de prachtige bewerkte massief eikenhouten poorten en pilaren. “Er zal en moet overal verf op gesmeerd worden,” mopperde hij half luid. De kozijnen, poorten en zelfs de pilaren van de galerij van het langgerekte boerenhuis, zaten verborgen onder dikke lagen verf. De blauwe verfkleur stak fel af tegen het frisse voorjaarsgroen van het gazon. Blauw, Griekenlandblauw, die rommel was zeker in de aanbieding want het halve dorp is blauw geverfd, dacht Gerrit en teleurgesteld schudde hij zijn hoofd. “Welcome to Greece in summer, unfortunately, in the winter we’re closed” mopperde hij tegen zichzelf. Op dat moment kwam een vrouw uit het huis gelopen. Gerrit besloot door te lopen want hij wilde niet dat zij hem betrapte op gluren. Vanuit de tuin hoorde hij de vrouw echter “Jó reggelt” roepen. Hij bleef staan, draaide zich om en keek naar de vrouw in de tuin. “Jó reggelt roepen terwijl het al bijna half tien is,” bromde hij tegen zichzelf. Dit is dus mevrouw Colette in levende lijve. Dit is dus hét voorbeeld waar alle Hongaren in het dorp hun beeld over buitenlanders aan ontlenen, dacht hij terwijl hij een gemaakt lachje haar kant op stuurde. “Goedemiddag” riep Gerrit terug, waarbij hij de klemtoon op middag liet vallen. “Ik ben Gerrit, Nederlander, woon aan de andere kant van het dorp, aangenaam” voegde hij er aan toe. Colette bleef even staan, alsof ze moest controleren of het werkelijk Nederlandse woorden waren die ze had gehoord en liep toen naar de poort. Ze begroette Gerrit nogmaals, nu in het Nederlands en nodigde hem prompt uit om binnen te komen. Gerrit was van zijn stuk gebracht door deze spontane actie, tegen zoveel vriendelijkheid kon hij geen nee zeggen. Terwijl Colette druk pratend en links en rechts wijzend voor hem uit liep en met een grote boog over het gras liep zodat hij alles kon zien voordat ze het huis binnengingen, volgde Gerrit haar en keek hoe Colette zich op haar hoge hakken een weg baande door de zachte grasmat. Een middagje op en neer lopen met die naaldhakken en je hoeft niet meer te verticuteren, flitste het door zijn hoofd. Vakantie in een boerengehucht en ’s morgens op hoge hakken rondhuppelen, je moet er maar zin in hebben, en hij dacht aan het vertrouwde schuifelgeluid die de oude sloffen van Toos produceren als zij door het huis loopt. 

In de keuken aangekomen veegde Gerrit uitgebreid zijn voeten waardoor had hij even tijd had om de omgeving in zich op te nemen. Hij wilde bescheiden op het puntje van een keukenstoel plaatsnemen, zich onderwijl verontschuldigend dat hij weinig tijd had, maar Colette gebaarde dat hij mee moest naar de woonkamer. Gerrit gehoorzaamde en schoof de keukenstoel voorzichtig terug. In de woonkamer liet Gerrit zich langzaam in een diepe leren bank zakken. Hij kuchte onnodig, sloeg zijn armen over elkaar en drukte die stevig tegen zijn lichaam. “Ben zo terug” zei Colette, “even Wouter zeggen dat we bezoek hebben” en ze verdween door de deur naar een andere kamer.

Gerrit bestudeerde de grote woonkamer. De overdaad aan meubilair, tapijten, kitsch-antiek en de vele glazen designdecoratie in een boerenhuis van meer dan honderd jaar oud maakte dat Gerrit zich helemaal niet op zijn gemak voelde.  “Kom je nu even Wout” hoorde Gerrit Colette roepen toen ze weer binnenkwam. “Wouter komt zo” legde ze Gerrit uit. “Wat wil je drinken, koffie, thee?” en zonder het antwoord af te wachten verdween ze in de keuken. “Maakt nie-uit” riep Gerrit haar nog snel na. Een paar minuten later verscheen ze met een  groot dienblad met daarop een pot dampende koffie en een paar wijnglazen. “Zo, we zijn in Hongarije en daarom moeten wij ons aanpassen” zei ze op bevelende toon. “Geen kopje koffie zonder een glaasje Hongaarse wijn erbij. Of wil je liever Pálinka bij de koffie?” vroeg ze terwijl ze Gerrit strak bleef aankijken. Gerrit kende wel de gewoonte van het Pálinka drinken in de ochtend en bij de koffie, maar van de combinatie wijn bij de koffie ‘s morgens had hij nog nooit gehoord. Terwijl Colette de koffie inschonk kwam Wouter binnen. Hij ging zitten zonder iets te zeggen. Hij zag doodsbleek en had grote donkere kringen rond zijn ogen en zijn wangen waren vreselijk ingevallen, alsof hij doodziek was. Hij droeg een opzichtig duur overhemd maar het was zeker twee maten te groot. Gerrit verbrak de pijnlijke stilte door op te staan en zich voor te stellen. Hij gaf Wouter een stevige handdruk waarbij het hem opviel dat hij een ijskoude en klamme hand vasthield. Wouter reageerde mat en bleef zitten. Colette deed ondertussen haar best om de ongemakkelijke situatie weg te poetsen door druk te blijven praten.

Die man is een vreselijke botzak of hij is terminaal ziek, dacht Gerrit toen hij in zijn koffie roerde. Alsof Colette had gehoord wat hij dacht, begon ze te vertellen dat Wouter het heel erg druk had gehad. Hij had het zo druk gehad dat hij nauwelijks thuis was geweest en ze elkaar bijna niet gezien hadden en daarom had Colette geëist dat ze een weekje naar Hongarije zouden gaan zodat Wouter kon uitrusten. Normaal was het altijd Wouter die naar Hongarije wilde maar deze keer had hij hevig tegengestribbeld. Colette keek Wouter uitdagend aan en zei: “Weet je nog Wout, toen je zei dat je het huis in Hongarije ging verkopen?” Ze draaide zich om naar Gerrit en vervolgde: “Toen hij met dat absurde idee aankwam, dacht ik, nu is hij helemaal overspannen. Weet je, nooit zou hij het huis willen verkopen, daarvoor is hij te verliefd op Hongarije” en ze wees naar Wouter die het allemaal over zich heen liet gaan. “Ik heb hem toen gewoon gedwongen om een weekje vakantie te nemen, gewoon omdat hij zich anders had doodgewerkt in Nederland. He schat?” voegde zij gemaakt liefjes er aan toe. Gerrit dronk zijn laatste slok koffie op en stond snel op. “Eh, ja sorry, ik moet helaas gaan. Ik moet mijn bestelling in de winkel afhalen want anders verkopen ze de spullen aan iemand anders” loog hij. “Als jullie zin en tijd hebben, dan kom een bakkie doen bij ons. We wonen aan de andere kant, het laatste huis van het dorp. Eh, ja, leuk jullie te hebben ontmoet,” voegde hij er als een soort afsluiting aan toe en om zijn vertrek kracht bij te zetten, gaf hij Wouter een stevige handdruk. Colette dribbelde zenuwachtig heen en weer, niet wetend hoe ze deze ongemakkelijke situatie nog kon redden. Ze liep snel naar een groot rek gevuld met flessen en griste een fles uit de voorraad. “Hier, een flesje echte Hongaarse wijn” en ze duwde de fles onhandig in Gerrits handen. “Jammer dat je zo’n haast hebt, volgende keer beter, toch?” voegde ze er schaapachtig aan toe. Ze begeleidde Gerrit naar buiten maar deze keer liep ze over het pad regelrecht naar de poort. Haar enthousiasme tijdens de begroeting van Gerrit was verdwenen, nu nam ze afscheid met een zacht piepstemmetje. Gerrit bedankte haar hartelijk en zwaaide overdreven naar haar toen hij wegliep.

Hij haalde een paar keer diep adem en blies krachtig uit alsof hij de bedompte sfeer in dat grote kille huis uit zijn longen wilde verwijderen en vervolgde zijn weg naar het dorpswinkeltje. De druk kwebbelende vrouwenstemmen die zelfs buiten het winkeltje te horen waren, deden hem glimlachen. De vrouwen kenden Gerrit en ze konden er maar niet aan wennen dat een man boodschapjes ging doen. Dat was vrouwenwerk zeiden ze dan altijd en schudden daarbij meewarig hun hoofd. Maar Gerrit deed er nog een schepje bovenop. Iedere keer als hij het winkeltje binnenkwam, riep hij luid: “Nőklap” wat in het Hongaars zoiets betekent als ‘vrouwenblad’ (een weekblad speciaal voor vrouwen). Dan vulde de hele winkel zich met vrouwengeschater, want een man die naar een vrouwenblad vraagt, dat was toch wel het toppunt. Alleen wisten de vrouwen niet dat de klank van dat woord (in het Hongaars uitgesproken klinkt het als “neuk-lap”) nogal Nederlands klinkt en dat Gerrit eigenlijk doelde op een “neuk-rosbiefje.” En daarom had Gerrit al binnenpret nog voordat hij de winkel binnenging. Dan stond hij zich te verkneuteren op het moment dat hij zijn seksistische “neuklap” uitroep kon doen in een winkel vol vrouwen die niet in de gaten hadden wat Gerrit eigenlijk bedoelde met zijn uitroep. Het was er altijd gezellig druk en Gerrit hoefde nooit op zijn beurt te wachten want de vrouwtjes hadden hun inkopen al lang gedaan maar bleven plakken om de laatste dorpsroddels uit te wisselen.

Terwijl hij met de zak broodjes onder zijn arm terug naar huis liep, dacht Gerrit na over de ontmoeting met Colette en Wouter. Hij had spijt dat hij voor het huis was blijven staan. Als hij niet was blijven staan, had Colette niet de kans gekregen om hem naar binnen te halen en was hem dat bezoekje bespaard gebleven. Hij was er niet gelukkig mee, hij had zich teveel laten inpakken door dat theatraal gedrag van madam Colette. Bovendien had hij helemaal niet verwacht dat hij in een huis terecht kwam waar de sfeer om te snijden was. Dat die Wouter zich heeft afgepeigerd op zijn werk, daar geloofde Gerrit niet veel van. Hij was dan wel niet zo fijngevoelig als Toos als het aankwam op mensen en situaties aanvoelen maar in deze zaak was hij ervan overtuigd dat daar iets fout zat, en niet zo’n beetje ook. Colette was dan wel een tuthola op hakken maar ze probeerde tenminste de situatie nog te redden met haar gekwebbel. Maar die vent die opeens zijn huis wilde verkopen, wat een merkwaardig ventje. Zijn vrouw moet hem meesleuren naar Hongarije en eenmaal daar geniet hij niet van zijn vakantie maar ligt hij als een zoutzak in zijn stoel en krijgt zijn lippen niet van elkaar.  


© Asztrid

Voorjaar in Hongarije (7)

Na de lange koude winter kwam het voorjaar weer in zicht. De steeds warmer wordende zon had de witte sneeuwdeken doen smelten en het voorjaar haalde met enthousiasme het leven in Kisvidék uit de winterslaap. En daarom waren al heel vroeg in het jaar, bij het verschijnen van de eerste zonnestralen, de Kisvidékers in hun groentetuinen te vinden. Bijna iedereen in het dorp bezat een grote groentetuin, die de mensen het hele jaar door van verse groenten voorzag. Zelfs de 80-plussers, die in Nederland al jarenlang in een bejaardenhuis verzorgd zouden worden, scharrelden ook nog rond in hun tuin. Spitten konden ze dan wel niet meer, daarom lieten ze de plaatselijke boer het stukje grond omploegen, maar in kaarsrechte rijen aardappels poten, wortelen, erwten en de rest van de groentewinkel zaaien, dat deden ze nog steeds zelf. De oudjes genoten dan wel een pensioentje, waar ze niet rijk van werden maar toch comfortabel van konden leven, maar helemaal stoppen met werken, dat deden ze niet, dat zat nu eenmaal niet in hun bloed. Zelfs Matyás, die zonder looprekje geen meter kon lopen, was in het mooie voorjaar in zijn tuin aan het werk. Hij had een plankje aan zijn looprek bevestigd zodat hij er ook op kon zitten, en afwisselend het rek verplaatsend en erop uitrustend speelde hij het klaar om de hele tuin op orde te krijgen.

Gerrit en Toos hadden hun eerste winter in Hongarije overleefd. Gerrit was na zijn bezoek aan het gemeentehuis, om aldaar hout te bestellen, razend enthousiast naar huis terug gelopen. Hij had het als een overwinning ervaren om op zijn éérste dag in Hongarije en zonder één woord Hongaars te spreken, het klaar te spelen binnen no-time aan stookhout te geraken. En Lájos had hem niet in de steek gelaten, een volle kar hout stond nog diezelfde dag voor het huis van Gerrit. Hij had de hele voorraad op de langgerekte veranda gestapeld zodat het hout niet nat kon worden en hij niet voor ieder blokje door de sneeuw naar de schuur hoefde te lopen. Het was wel meer werk geweest dan hij gewend was in Nederland, eventjes aan de thermostaat draaien kon niet meer. Hij zeulde met houtblokken naar binnen, met volle asladen naar buiten, en het eerste wat hij deed nadat hij was opgestaan was een houtblokje tot aanmaakhoutjes kleinmaken om daarmee de kachel aan de praat te kunnen krijgen. Het aandeel van Toos hierin was dat zij in het begin, klagend over de enorme hoeveelheden stof die de kachel veroorzaakte, iedere dag met de stofdoek door het huis liep, maar na een tijdje maakte het mopperen plaats voor neuriën, een bewijs dat Toos zich goed kon aanpassen aan haar nieuwe leven.

Het verhaal dat Gerrit van Lájos had gehoord dat hun huis niet bewoond was geweest maar al meer dan 10 jaar leeg had gestaan toen ze het kochten, had Gerrit niet aan Toos verteld. Hij wilde dat even laten rusten want hij wist dat Toos onmiddellijk zou beginnen met tot op de bodem uitzoeken van die zaak en om daarmee op de eerste dag na aankomst in Hongarije mee te beginnen vond hij geen goed idee. Aanvankelijk had Gerrit het verhaal zelf ook weggewuifd maar na een tijdje was hij zich toch gaan afvragen waarom een makelaar hem vertelt dat het huis bewoond werd door een oude man terwijl het huis gewoon leeg stond. Lájos zou die leegstand nooit zomaar verzinnen, waarom zou hij? Nee, Gerrit raakte hoe langer hoe meer ervan overtuigd dat er iets niet pluis was geweest aan dat leuke verkooppraatje. Die leegstand zou ook kunnen verklaren waarom de bewoner, die oude man, niet bij de bezichtiging en ook niet bij de overdracht van het huis was geweest. Alleen de advocaat, die voor de contracten en overdracht verantwoordelijk was, de makelaar, hij, Toos en een vlotte jonge Hongaarse kerel waren bij de ondertekening van het koopcontract aanwezig geweest. Hij herinnerde zich nog dat Toos zich zat af te vragen waar de oude eigenaar bleef en dat ze Gerrit daarover aansprak. Maar door de consternatie in het kleine kantoortje en de druk pratende Hongaren, waar ze niets van hadden verstaan, had Gerrit Toos gemaand de boel niet nóg chaotischer te maken met haar lastige vragen en Toos was daarop in een ijzig stilzwijgen vervallen en had zonder commentaar de koopakte ondertekend.

Wel had hij direct na terugkeer aan Toos verteld dat Lájos hem had verteld dat er nog meer Nederlanders in het dorp waren. Op het moment dat Gerrit dat nieuwtje aan Toos vertelde, had zij van schrik bijna een ketel kokend water uit haar handen laten vallen. Stiekem was Gerrit ook blij geweest dat zij zo geschrokken reageerde want hij had zelf ook naar lucht zitten happen toen Lájos hem vertelde dat hij Nederlandse buren had. Oké, het was dan wel een vakantiehuis, en ze waren er alleen tijdens vakanties, maar toch, toen hun plannen om naar Hongarije te gaan emigreren vaste vormen hadden aangenomen en ze uiteindelijk de knoop hadden doorgehakt, waren zij in de stellige overtuiging dat Hongarije een vrij onbekend land was, iets uit het Oostblok, waar je vooral als je een boerderijtje op het platteland koopt, wordt teruggeworpen in een tijd van varkensstallen en keuterboeren en waar  geen moderne westerling zou kunnen wennen. Gerrit en Toos waren in de veronderstelling dat zij de enige buitenlanders in de weide omtrek waren en op dat vooruitzicht hadden zij zich erg verheugd. Door die situatie zou er een maagdelijke onbevangenheid zijn richting de Hongaren, redeneerden zij, en zouden de Hongaren geen vooropgezette ideeën kunnen hebben over al aanwezige buitenlanders. Dat zou hun alleen maar voordelen kunnen opleveren, ze zouden bovendien niet vergeleken worden met de al aanwezige buitenlanders. Het was voor Gerrit en Toos een belangrijk aspect van het rustig kunnen genieten van leven in het buitenland.

Maar die droom was op hun eerste dag Hongarije al als een zeepbel uiteengespat. Gerrit trof een paar Hongaren die hem uitlachten toen hij om 9.00 ’s morgens iedereen begroette met ’goedemorgen’, en dat alleen maar omdat een paar luie Nederlanders aan de andere kant van het dorp te lang in hun nest bleven liggen en midden op de dag nog steeds iedereen aanspraken met ’goede morgen’. Dan even later boer Lájos moeten aanhoren die de Nederlanders ophemelde tot ongekende hoogten, over hoe mooi zij hun huis verbouwd hadden en dat ze erg rijk waren. Ja, daar zat hij dan te kijken met zijn vervallen boerderijtje. Hij had geen zwembad in de tuin, zoals Lájos vertelde over zijn buren. Hij was eigenaar van een enorme hoop onkruid waar niet tegenop te wieden was. Bij Gerrit was niets verbouwd, en al helemaal geen nieuw dak. Bij zijn dak ontbrak op twee plaatsen een nokpan waardoor het lekte en hij bij ieder regenbuitje de zolder moest opkruipen om de vol gedruppelde emmers te verwisselen voor lege exemplaren. Hij had geen aangelegd park als tuin maar een verwilderd stuk grond dat meer weg had van een oerwoud. Echt een aanzicht dat paste bij een huis dat jarenlang leeg had gestaan.  En geen eigenaar van een badkamer met twee wastafels maar hij had helemaal geen badkamer in huis, alleen twee grote ketels die Toos iedere morgen op het houtfornuisje zette om warm water te maken voor de dagelijkse wasbeurt. Ach, het was wel af en toe romantisch geweest, hij zeepte haar af en zij hem en na afloop liepen ze met de ketels  naar de veranda en gooiden ze op „drie” het overgebleven water met een grote zwaai op de hof.

Toen Gerrit haar had verteld dat Lájos had gezegd dat die Nederlander, ene Wouter, een belangrijke baan had, waren Toos’ wangen vuurrood van opwinding en ergernis geworden. ’Alsof, touringcarchauffeur niks voorstelt. Als mijn Gerrit er niet was geweest hadden duizenden mensen thuis blijven zitten, hadden ze niks gezien, hadden ze nooit ergens gekomen’, had ze boos de lucht in geslingerd alsof ze tegen een onzichtbare vijand aan het strijden was. ’Mijn Gerrit’ waarbij ze met een vermanende vinger naar Gerrit wees alsof ze iemand anders de les aan het lezen was, ‘mijn Gerrit is gewoon de beste, en zo’n opschepper met een dikke baan.....  Het is een schandaal dat die zo tegen die eenvoudige mensen uit het dorp hier ligt op te scheppen over zichzelf. En Lájos, en de rest van het dorp, gelooft die onzin natuurlijk. Ik geloof er helemaal niks van en weet je waarom’ zei ze op overtuigende toon. ‘Als die Wouter werkelijk zo’n goeie baan had gehad, dan bezat hij een villa in Frankrijk en ging hij daar genieten en had hij niet een aftandse boerderij in een voormalig Oostblokland als Hongarije gekocht.

Toos en Gerrit hadden zich door dit soort nieuwtjes echter niet uit het veld laten slaan. Ze hadden zich voorgenomen om de wintermaanden te gebruiken om de binnenkant van het huis een beetje op te ruimen. Van verbouwen was voorlopig geen sprake, daarvoor waren de werkzaamheden te groot en moesten zij tijdelijk het huis uit, bovendien wilden zij eerst op hun gemak bekijken wat ze wilden. Ze hadden de beschikking over vijf grote kamers en konden dus kiezen waar ze de keuken en de badkamer wilden. Gerrit wist veel achtergelaten meubels weer wat op te kalefateren en Toos had de gave om met minimale middelen een gezellig huis te creëren. Ze woonden als de Hongaren uit het dorp, te midden van vergeelde wanden en vochtige vloertegels. ’s Morgens bewonderden ze samen de prachtige ijsbloemen op de kleine raampjes als ze door de warmte van het houtfornuis smolten en hun tranen de vrije loop lieten over het glas. In het begin hadden ze de tv gemist, iedere avond dat kleine schermpje met flikkerende lichtjes, honderden kleuren en geluiden. Een apparaat dat in staat is om een wereld te tonen waardoor miljoenen mensen zich niet meer bewust zijn van hun eenzaamheid en leegheid van hun bestaan. Ze hadden geen tv-schotel en receiver en na een paar weken werd de drang om een schotel te kopen steeds minder, totdat er helemaal niet meer over gesproken werd. In plaats van voor de tv hangen gingen ze vroeg naar bed, met een glas wijn op het nachtkastje, lazen ze boeken en bedreven ze de liefde. Niemand die hun zag, niemand die hun kon horen, niemand die hun belde want keer op keer vergaten ze hun telefoon op te laden en geen internet. Gerrit, als echt stadsmens en altijd midden tussen de mensen gewerkt te hebben, had ertegenop gezien om op zo’n afgelegen plek te gaan wonen maar hij ging zich steeds beter voelen. De pijntjes verdwenen, zonder dat hij het in de gaten had, en Toos, een pietje precies in alles, liet langzaam haar teugels ietsje vieren. Ze kon ook niet anders, de chaos en de bouwvallige boerderij waar ze in was gaan wonen, dwong haar om anders tegen de dingen aan te gaan kijken. Toen het zonnetje steeds sterker werd en het voorjaar van zich liet horen, zat ze urenlang op een houten kist op de veranda van het uitzicht te genieten. Helemaal niets doen, iets dat zij zich nooit in haar leven gegund had, en soms gebeurde het zelfs dat ze te laat was met koken omdat ze driftig Hongaarse woordjes aan het leren was.

Gerrit wist altijd wel een smoesje te bedenken om niet te hoeven mee leren en Toos had het begrepen, Gerrit was nooit een talenwonder geweest en zou het ook nooit worden. Gerrit bediende zich van een reeks standaard uitdrukkingen die hij varieerde waardoor het veel meer leek dan het in werkelijkheid was en de Hongaren waren allemaal onder de indruk dat hij zo goed Hongaars sprak. Dat die Hongaren iedereen complimenteren, ook als je maar twee woordjes kan zeggen, wist Gerrit ook wel maar het voelde toch iedere keer weer goed en als hij toevallig in de kroeg was dan nam hij dat compliment graag in ontvangst en gaf een rondje. Dat sprak zich dus rond als een lopend vuurtje en daarom werd hij in de kroeg overladen werd met complimentjes over zijn Hongaarse talenkennis nog voordat hij één woord had gesproken. Dat ze konden overdrijven wist hij al snel maar dat de Hongaren ook niet terugschrokken om te slijmen, had hij niet verwacht, want toen ze allemaal gingen beweren dat hij, Gerrit, véél beter Hongaars sprak dan Wouter, toen voelde hij dat hij tegenover een stel slijmjurken zat, die zaten te azen op het volgende glaasje alcohol op kosten van Gerrit. Maar het deerde hem niet, langzaam maar zeker begon hij de Hongaren in het kleine dorp meer te begrijpen.

Wouter denkt terug aan zijn laatste vakantie in Hongarije (6)

Wouter sprong op en liep naar het keukenraam om zich ervan te verzekeren dat Colette daadwerkelijk was vertrokken. Hij slaakte een zucht van verlichting toen hij zag dat haar auto niet meer op de oprit stond. Eindelijk, dacht hij, ze is vertrokken en met de telefoon in zijn hand liep hij naar zijn werkkamer. Daar liet hij zich languit in zijn leesstoel vallen. Hij legde de telefoon op het bijzettafeltje en bleef roerloos onderuit liggen in zijn stoel. Zijn hart beukte tegen de binnenkant van zijn borstkas. “Ildikó, het was Ildikó” fluisterde hij ontsteld. Hij herinnerde zich heel duidelijk wat ze zei: Ik …Ildikó … jij … varken … baby, galmde het door zijn hoofd. Net voordat hij de telefoon snel had uitgezet omdat Colette de keuken binnenliep, had hij Ildikó pénzt, geld… horen roepen. Deze woorden bleven als een mantra door zijn hoofd zingen. Met zijn hemdsmouw veegde hij de straaltjes zweet die over zijn gezicht liepen weg. Hij kneep zijn ogen stijf dicht en vroeg zich af, wanneer ben ik voor het laatst in Hongarije geweest, en om zeker te zijn telde hij de maanden op zijn vingers .....


Het was eind augustus en de laatste week van hun vakantie was aangebroken. Wouter was blij dat de vakantie bijna afgelopen was want hij had zich dagelijks aan Colette geërgerd. Ze had over alles en iedereen iets te mekkeren en ze kon het niet laten om haar verveling met liters wijn weg te spoelen. Hij was gestopt met bedelen om samen iets te ondernemen en omdat hij toch nog een beetje van de vakantie wilde genieten, was hij vaak alleen op pad gegaan. Hun wekenlang voortslepende ruzie bereikte die ochtend zijn hoogtepunt toen Colette zich tijdens het ontbijt in plaats van haar gebruikelijke kop koffie, een glas wijn inschonk. “Kutwijf” had hij haar toegeschreeuwd. “Dit… dit hier, heb jij helemaal niet meer nodig” had hij haar toegebeten toen hij het brood en beleg van tafel griste en het in de afvalbak gooide. Razend van woede was hij naar buiten gehold en nadat hij een paar uurtjes doelloos door het dorp had gelopen om te kalmeren, was hij aan de rand van Kisvidék aanbeland…..

Daar stond het huisje van Ildikó, het vrouwtje waar hij altijd verse eitjes ging kopen en die hij gul betaalde. Hij zag het als een kleine donatie voor een goed doel, Ildikó kon het geld goed gebruiken. Wouter twijfelde, zou hij doorlopen of een paar eieren gaan kopen en een praatje maken. Terwijl hij treuzelde en niet wist wat hij moest doen, hoorde hij vanuit de tuin de vrolijke stem van Ildikó: “Szervusz Wouter…. hallo Wouter, kom binnen, ik heb verse eitjes voor jou en je vrouw.” Wouter probeerde bij het horen van Ildikó’s stem zijn enthousiasme te verbergen. Hij opende zo ontspannen als mogelijk de toegangspoort en slenterde nonchalant naar de stallen. Ildikó stond opgetogen naar hem te zwaaien. “Sok munka…. veel werk, veel werk, kijk…” onderbrak ze hem lachend toen Wouter haar begroette en ze trok hem aan zijn mouw mee in de stal. “Kijk” zei ze trots toen ze samen in de donkere oude stal stonden die vol zat met kippen en hanen. “Ik heb de stal schoongemaakt en moet nu nieuw stro erin doen, dat vinden de kippen fijn.”zei ze vertederend in een mengelmoes van Hongaars en Duits. Wouter bekeek de vervallen stalruimte. Aan de ene kant lagen een aantal balen stro losjes opgestapeld en aan de andere kant was een deel van de stalruimte afgezet met verroeste draad. Daarin scharrelden tientallen kippen en een paar hanen die een oorverdovend kabaal maakten door voortdurend te kraaien en tegen elkaar tekeer te gaan. Er hing een doordringende geur van vers stro en het was er broeierig warm. De kleine stoffige raampjes hielden het zonlicht tegen waardoor het er ook midden op de dag schemerig was. Midden in deze voor Wouter totaal vreemde wereld stond Ildikó. Een paar sprieten van het stro waren in haar haren beland en ze staken fel af op haar donkere krullen die ze losjes had opgestoken. Een paar plukjes waren ontsnapt en vormden strengetjes met krullen die voortdurend voor haar donkere ogen op en neer dansten. Een versleten zomerjurkje van flinterdunne stof versierd met piepkleine bloemetjes, volgde zwierig haar lichaam bij iedere beweging die ze maakte. Ze bewoog alsof ze zweefde, van de ene naar de andere kant van de stal en zodra ze stil bleef staan omarmde de stof van haar jurk haar lichaam en kwam dan pas tot rust. Ze was zich niet bewust van haar gracieuze bewegingen. Met een opgewekte stem vertelde ze Wouter waar ze mee bezig was. Ildikó was trots dat ze als alleenstaande vrouw stallen kon uitmesten. Normaal een werkje voor mannen, vertrouwde ze Wouter toe. Ze had niemand nodig en kon alles zelf, zei ze trots en strekte daarbij haar armen wijd uit en draaide om haar as.

Wouter deed een stap naar voren en greep haar arm vast waardoor Ildikó bijna haar evenwicht verloor. Hij trok haar bruusk naar zich toe en sloeg zijn armen om haar lichaam. Hij tilde haar moeiteloos op en behoedzaam liep hij naar de hoek waar de strobalen lagen. Ildikó probeerde zich van hem los te maken door hem hard aan zijn haren te trekken onderwijl luid protesterend, een stroom Hongaarse zinnen op hem afvurend. Hij gooide zijn hoofd naar achteren om haar graaiende handen te ontwijken maar Ildikó trok hard en liet niet los. Dat wond hem nog meer op. Bij de strobalen bleef hij staan en liet haar zakken totdat haar voeten de grond raakten en in één beweging legde hij haar zachtjes neer in het stro. Hij hield haar een paar tellen tegen de grond gedrukt, liet haar daarna langzaam los en ging rechtop staan. Hij torende hoog boven haar uit en hield zijn blik strak op haar gericht. Ildikó trok haar jurk snel over haar knieën en probeerde overeind te krabbelen maar toen ze langs het lichaam van Wouter omhoog keek en haar ogen de zijne vonden, verdween de spanning uit haar lichaam en liet zij zich langzaam terug glijden in het stro. Ze trok haar losse knotje los en schudde haar hoofd waardoor haar gezicht en schouders half onder haar lange donkeren krullen verdwenen. Ze lag op een bed van stro. Haar donkere ogen hielden Wouter gevangen en bijna ongemerkt ontdeed zij zich van haar slippertjes. Ze trok haar knieën een beetje omhoog en duwde haar blote voeten tot bijna aan haar enkels in het stro. Tergend langzaam trok zij aan haar jurk, totdat haar dijen onbedekt waren. Ze tilde haar schouders een beetje omhoog, gooide haar hoofd helemaal achterover en drukte haar lichaam met kracht in de dikke laag stro waardoor het leek alsof zij erin verdween.

Wouter stond voor haar en keek op haar neer. Hij bleef bewegingsloos staan. Zijn voortrazende gedachten werden gestopt door het kabaal van kakelende kippen en kraaiende hanen. Toen verdwenen de harde geluiden naar de achtergrond en maakten plaats voor het pulserende ruisen van zijn bloedsomloop in zijn oren. De warme lucht in de stal drong zijn neus binnen en hij snoof ze gulzig op. De prikkelende geur van het verse stro en de weeïge geur van kippenmest wond hem op.  Hij stond in een vervallen stal met voor hem op de grond een vrouw liggend in het stro, die naar hem verlangde. Hij wilde dit vasthouden in zijn hoofd, brandmerken als bij een kuddedier waardoor dit beeld voor altijd zou blijven bestaan. Ildikó fluisterde iets onverstaanbaars en strekte haar armen naar hem uit. Hij boog zich voorover, de jonge vrouw kwam een beetje omhoog waardoor hun lichamen elkaar halverwege ontmoetten. Als ééngeworden lieten zij zich in het stro zakken en hun hongerige monden vonden zich. Hij haakte zijn hand in haar slipje en schoof het opzij. Donker, warm en vochtig, als in haar stal, dacht hij op het moment dat hij haar nam….


De telefoon ging over en Wouter werd wreed uit de storm van zijn gedachten gerukt. Schokkend kwam hij overeind uit zijn stoel en graaide de telefoon van het tafeltje. Hij nam niet op maar zette het toestel uit zonder te controleren wie gebeld had. Hij staarde naar dat glimmende platte apparaatje in zijn handen. Ildikó heeft me gebeld, dacht hij, en ze zei varken. Op dat moment schoot een golf van elektriciteit door zijn lichaam. Ze vindt mij een varken, fluisterde hij tegen zichzelf. Toen de woorden pénzt, geld en baby hem weer te binnenschoten, bekroop hem een misselijkmakend gevoel. Hij knipperde met zijn ogen, kon niets meer zien, de kamer verdween uit het zicht en opeens bevond hij zich in een wazige grijze wereld. Draaierig, alsof hij uit een kermiscarrousel was gestapt en een allesoverheersend oorsuizen maakte dat hij niet helder kon nadenken. Plotseling, alsof hij door een kogel werd getroffen, ging het door hem heen: ze is toch niet zwanger? Van die ene keer in die stal, dat kan niet, dat... kán... niet..., hamerden de woorden op het aambeeld in zijn hoofd. Zij heeft me opgebeld, ze is zwanger, van mij, en ze weet dat ik geld heb. Wat een sloerie, ze wil geld. Hij sprong uit zijn stoel gooide de tuindeuren open en liep naar buiten. Een ijzige wind sloeg hem bestraffend in zijn gezicht. Hij stak zijn handen diep in zijn zakken en rilde. Ik stuur haar geld, dan blijft ze rustig. Misschien hoor ik dan niets meer van haar. Maar ik kan niet meer naar Hongarije. Wat nu? En Colette? O, god Colette…..
© Asztrid

Wouter en Colette in Nederland (5)

Het was zaterdag maar in plaats van uitslapen waren Wouter en Colette vroeg opgestaan. Wouter was van plan om ook deze zaterdag te gebruiken om thuis te werken. Op kantoor waar hij senior manager was, was het de laatste tijd zo druk dat hij zich verplicht voelde om ieder weekend werk mee naar huis te nemen. Hij wilde niet op kantoor overwerken want dat zouden zijn bazen kunnen opvatten als een teken dat hij zijn functie niet aankon. Daarom had hij de vrije zaterdag aan zijn werkweek toegevoegd om op die manier de achterstand op kantoor ongemerkt weg te kunnen werken. Colette had iedere keer geprotesteerd als Wouter zich met zijn computer en papieren in zijn speciale werkkamer aan het eind van de hal had teruggetrokken. Zij vond dat het weekend de ideale tijd was om samen met Wouter iets te ondernemen, uitgaan en winkelen waren haar favoriete weekend activiteiten. Omdat ze deze zaterdag niet alwéér in haar eentje thuis op de bank wilde doorbrengen, had ze met een vriendin afgesproken om naar de stad te gaan.

Wouter en Colette ontbeten samen in de keuken en kletsten over de vakantie in Hongarije van afgelopen zomer. Wouter wilde heel graag weer zo snel mogelijk een weekje naar Hongarije. Hij had het verlof al geregeld op kantoor en verheugd vertelde hij Colette dat ze in het voorjaar weer in het Hongaarse zonnetje zouden kunnen relaxen. Verlof krijgen was niet makkelijk voor Wouter, zijn baan vergde veel van hem en als hij afwezig was, was er geen vervanger. Voor de drie weken zomervakantie van afgelopen jaar had hij ook flink moeten praten bij zijn baas. Hij was er dan ook helemaal mee in zijn nopjes geweest toen het doorging, maar eenmaal in Hongarije was het tegengevallen omdat Colette al na één week genoeg had van het platteland en zich stierlijk verveelde. Ze wilde nergens naar toe, zat verveeld naast het zwembad in de tuin en dronk de hele dag wijn. Wouter probeerde haar iedere keer over te halen om er samen op uit te trekken, maar ze had hem toegebeten dat zij de hele omgeving al honderd keer had gezien en dat het overal hetzelfde uitzag en ze een beetje moe werd van die rondslenterende boerenpummels in het dorp. Bijna hysterisch riep ze uit dat ze het niet meer kon verdragen te moeten aanzien hoe iedere dag de vrouwen met een sigaret tussen de lippen in versleten trainingsbroeken op afgetrapte teenslippers langs het huis op en neer liepen.

Wouter verwachtte nu dus geen al te enthousiaste reactie van Colette. Hij verheugde zich iedere keer als ze naar Hongarije vertrokken. Hij amuseerde zich altijd en overal en vond de vakantie altijd veel te kort. Ook als hij niet weg ging maar in het dorp bleef dan amuseerde hij zich uitstekend. Zo dook hij regelmatig in het dorpse plattelandsleven en ging hij iedere morgen naar het kruidenierswinkeltje om vers brood te kopen. Voor eitjes en kippenvlees liep hij naar de andere kant van het dorp, naar Ildikó. Een vrouwtje die alleen woonde en met het verkopen van kippenvlees en eieren iet probeerde te verdienen. Wouter was altijd alleen in het dorp, Colette wilde niet mee, zij zag het niet zitten om door het hele dorp te lopen voor een brood en een paar eieren maar gaf de voorkeur aan inkopen doen bij de grote supermarkt in de stad. Samen met haar het dorpskroegje bezoeken en er een glaasje wijn te drinken, kon Wouter ook vergeten. Colette voelde er niets voor om in een betegelde ruimte onder een flikkerende TL-verlichting op een kapotte barkruk te zitten en het gelal van een paar zuipschuiten, zoals zij ze noemde, te moeten aanhoren. Daarom ging Wouter alleen naar de kroeg, al was het alleen maar om even uit de bedrukkende sfeer van thuis te kunnen ontsnappen. Omdat de kroeg al ’s morgens om 6 uur zijn deuren opende kon hij de hele dag terecht en mannen onder elkaar was tenslotte leuker dan met Colette die de enkele keer dat ze mee was geweest zich overdreven als een stadse madam had gedragen. Met zich verstaanbaar maken had Wouter geen enkele moeite. Staand, midden in het kleine kroegje, grote gebaren makend met zijn lange armen en de paar Hongaars woordjes opdreunen met luide stem, daarmee hield Wouter de aandacht van de Hongaren vast. Ook de stamgasten, vaak werkelozen die hun zinloos leven probeerden te vergeten door hele dagen in de kroeg rond te hangen en zich vol te laten lopen met goedkope wijn, vonden de aanwezigheid van Wouter een welkome afleiding. Vooral de rondjes die hij gul uitdeelde waren een reden om na iedere zin te applaudisseren en hevig ja te knikken. 

Wouter smeerde boter op een snee brood en keek hoe Colette aan haar thee nipte. Ze zat zwijgzaam voor zich uit te kijken. Hij wist dat Colette geen zin had om in het voorjaar naar Hongarije te gaan. Omdat ze zich zo had verveeld tijdens hun laatste vakantie en hij daarom meer weg was geweest dan bij haar, was die vakantie niet vlekkeloos verlopen. Hij legde zijn mes neer en probeerde haar enthousiasme te wekken door op luchtige toon te zeggen: “Het is maar voor één weekje, schat. Dan kan ik gelijk nieuwe wijn meenemen voor hier in Nederland” zei hij plechtig, wetende dat Colette gek was op de Hongaarse wijn. De voorraad die hij de laatste keer had meegenomen had ze bijna helemaal alleen opgedronken. Hij kon haar daar niet van tegenhouden. Zijn lange werkdagen maakten dat Colette vaak alleen thuis was en als hij dan ’s avonds moe thuiskwam, zag hij steevast een opengemaakte wijnfles op het aanrecht staan. Wouter was trots op zijn wijncollectie, hij had de wijnflessen in een oude open boekenkast uitgestald die in een hoek van de woonkamer stond. Gasten waren altijd diep onder de indruk van zijn wijnverzameling. Wouter had zich een tijdje geleden wel de hele avond geërgerd aan iemand die hem fijntjes vertelde dat als men wijnen met zorg wil behandelen, men de flessen niet rechtop in een kast in een verwarmde woonkamer moest bewaren maar in een wijnklimaatkast of in een kelder moest leggen en dat men moest zorgen dat de kurken niet uitdroogden. Zodra Colette merkte dat Wouter wel over de wijnen wilde praten maar er geen gratis proeverij van wilde maken, was ze er altijd als de kippen bij om hem poeslief te vragen: “Wouter, schat, laat jij onze gasten eens proeven van de verschillende wijnen? Ik haal alvast de glazen” Dat was iedere keer de ideale manier om  hem ten overstaan van gasten te dwingen om hem meer flessen open te laten maken dan ze die avond zouden kunnen opdrinken. En als Colette de volgende dag de overgebleven wijn opdronk en Wouter daar een opmerking over durfde te maken dan riep ze altijd: “Moet ik het dan weggooien die geweldige wijn van jou?”

Colette schoof haar stoel naar achteren en stond op. “Ach, we zien wel of we komend voorjaar een week naar Hongarije gaan” antwoordde ze kortaf. “Dat is nog ver weg. Doeiii, ik ga nu, tot straks” zei ze droogjes. Ze pakte haar handtas en sleutels en liep de keuken uit. “Gotver” bromde Wouter, ze ligt weer eens voor de zoveelste keer dwars. Terwijl hij in één slok zijn koffie opdronk ging zijn smartphone over die naast zijn ontbijtbord lag. Hij leunde achterover op zijn stoel en luisterde naar de ringtone. Gotver, alweer dat werk, dacht hij en geërgerd greep hij de telefoon. “Hallo, met Wouter” zei hij kortaf. Er kwam geen antwoord. “Ja, halló, zeg het maar” voegde hij er dwingend aan toe. Aan de andere kant van de lijn hoorde hij een vrouwenstem. “Hello, hello, beszélni …. Magyarors …ich…sprechen…. du….Schwein....du… Schwein… baba” scheeuwde iemand door de lijn. Hij kon het niet woordelijk verstaan maar het was duidelijk dat iemand hem toeschreeuwde, hallo, hallo, spreken.. Hongarije… ik.. spreken… jij… varken…. jij… varken…. baby. Wouter zocht naar woorden maar aan de andere kant wachtte de vrouwenstem niet op een antwoord: ” Ich Ildikó, du weist, …..du Schwein, pénzt, (Ik Ildikó, je weet.... jij varken, geld)” hoorde hij nog net de vrouw aan de andere kant roepen voordat hij snel zijn telefoon uitzette omdat hij hoorde dat Colette weer binnenkwam. Ze liep naar hem toe en ging vlak naast hem staan. “Ik ga vandaag eerst naar de stad en als jij eens tijd voor mij vrij maakt, dan praten we dan verder over dat weekje Hongarije” voegde ze er op een gemene toon aan toe. “Ik had mijn telefoon laten liggen, ik zie dat jij al zat te bellen” zei ze fijntjes alsof ze hem betrapt had. Ze wachtte zijn antwoord niet af en vervolgde: “Je ziet me vanavond weer, ik neem wel iets mee uit de stad om te eten” en weg was ze weer. Hij hoorde hoe Colette de deur achter zich dicht sloeg. Wouter zweette over zijn hele lichaam. Zou Colette iets van dat rare telefoontje hebben meegekregen, vroeg hij zich koortsachtig af. Ik had net op tijd opgelegd, ze kan alleen mijn verbazing gezien hebben, bedacht hij zich. Zijn vingers trilden toen hij de telefoon van de tafel nam en het nummer opzocht. Hij staarde naar het telefoonnummer, het was uit Hongarije afkomstig maar hij herkende het verder niet. Het was Ildikó, het vrouwtje van de eieren die hem vanuit Kisvidék had opgebeld.

Effe hout halen ... (4)

Toos en Gerrit hadden het de vorige avond nog klaargespeeld om een deel van de rommel uit de kamer te slepen waardoor ze net genoeg plaats kregen om de twee campingbedjes op te zetten die ze uit Nederland hadden meegenomen. Django had zijn slaapplek op een oude versleten sofa gevonden. Gerrit had nog geprobeerd om de kachel aan de praat te krijgen met hout van een paar kapotte stoelen maar dat was hem niet gelukt. In het huis was het net zo koud als buiten en daarom waren ze met hun kleren aan gaan slapen. Het was een korte nacht geweest want ze hadden tot diep in de nacht doorgewerkt. Een paar uurtjes later waren ze stijf van de kou wakker geworden.

Na een eenvoudig ontbijtje, dat Toos handig had weten klaar te maken met de uit de doos meegenomen levensmiddelen, gingen ze aan de slag. Om de kou uit hun lichaam te verdrijven wilden ze de hele dag flink bezig blijven. Toos begon meteen met het verder uitruimen van de kamer en had zich voorgenomen dat aan het eind van de dag tenminste één kamer van het huis een beetje leefbaar moest zijn. Er bleken nog heel wat bruikbare meubels in het huis te liggen en die wilde Toos graag hergebruiken. Zo wilde ze de campingbed matrassen gebruiken op de twee antieke bedden die ze gevonden had. Een oude kast, volgens Gerrit van echt eikenhout, wilde ze gaan schoon boenen en alle keukenspullen uit Nederland moesten daarin een plaatsje krijgen en ook een oude houten keukentafel met stoelen moesten een plekje in de kamer krijgen. De versleten sofa hoefde niet weg vond Toos, die werd het plekje voor Django want om er zelf op te gaan zitten daar was hij veel te vies voor.

Toos zag het allemaal al voor zich, ze had er zin in ondanks het feit dat het huis één grote bouwval was. Er lag meer stukwerk op de vloer dan er nog op de wanden zat en in de houten vloer van de kamer woonde een bonte verzameling houtknagers. In Nederland was haar huis van kelder tot zolder degelijk afgewerkt en was voorzien van alle comfort maar in haar nieuwe huis in Hongarije moest zij het stellen zonder centrale verwarming, keuken en badkamer. Ze had zelfs geen waterleiding in het huis en als ze naar de wc moest dan moest ze naar de poepdoos, een klein hokje buiten op de hof. Terwijl Toos al druk bezig was met het verder uitruimen van de kamer had Gerrit na een paar mislukte pogingen toch de kachel aan de praat gekregen. Hij had daarvoor wel het hout van een oude kast moeten gebruiken want brandhout was er niet. Voor een paar uurtjes was dat voldoende maar hij moest zo snel mogelijk aan hout zien te komen want anders zaten ze vanavond weer in de kou. Hij nam zich voor om naar het gemeentehuis te gaan en daar te vragen waar hij brandhout kon krijgen. Zijn BMW liet hij staan, de aanhanger moest nog afgekoppeld worden en daar had hij geen zin in. Hij liep de poort uit vulde zijn longen met de Hongaarse winterlucht en ging op pad.

Toen hij in het gemeentehuis aankwam was het er drukker dan hij verwacht had. Een tiental Hongaren, alles mannen van middelbare leeftijd tot hoog bejaard, stonden in de kamer van de secretaresse van de burgemeester en iedereen wachtte druk pratend op zijn beurt. Toen Gerrit binnenkwam en achteraan in de rij wilde aansluiten draaide zich iedereen om en ging voor hem opzij, druk gebarend dat hij voor mocht gaan. Hij voelde hoe hij door talloze handen zachtjes tot aan het bureau van de secretaresse werd begeleid. De rij achter hem sloot zich weer en het werd stil in de ruimte. Gerrit voelde nieuwsgierigheid van de aanwezigen in zijn rug priemen en koortsachtig zocht hij naar de Hongaarse woorden voor ‘goedemorgen’. Toen hij de secretaresse begroette met een opgewekt “Jó reggelt” barstte iedereen in lachen uit. De secretaresse keek hem aan als een strenge schooljuf en met de pen in haar hand wees ze naar de klok op de muur en zei in gebroken Duits: “het is bijna half 9, bei ons is de morgen al heel lang voorbij. Maar die buitenlanders die bleiben altijd lang in bed liggen, schlafen….” voegde ze eraan toe en boog haar hoofd opzij en liet het rusten op haar vlakke hand. Gerrit was normaal niet op zijn mondje gevallen maar nu wist hij even niet wat hij moest zeggen. Hij had tot diep in de nacht doorgewerkt voor een slaapplek, had nauwelijks geslapen en nu werd hij uitgelachen omdat men vond dat buitenlanders langslapers zijn. Hoe komen ze dáár nu in godsnaam bij, vroeg Gerrit zich af maar veel tijd om hierover na te denken kreeg hij niet. De secretaresse zat hem vragend aan te kijken. Gerrit zocht naar Duitse woorden.

Op school had Gerrit nooit Duits gehad en dat had hij ook niet erg gevonden. Hij vond dat hij zich uitstekend kon redden met het Duits dat hij had opgepikt in de periode dat hij als touringcarchauffeur door Duitsland had gereden. In Duitsland hebben ze ook steenkolen was zijn standaard antwoord als iemand over steenkolen-duits begon. Maar Hongaars? Dat ging nog lastig worden, hij was blij dat de secretaresse een beetje Duits sprak.

Het was inmiddels weer stil geworden omdat iedereen stond te wachten op wat die nieuweling ging vertellen. In zijn beste Duits vertelde Gerrit dat hij gisteravond laat was aangekomen. Het huis was “steinkalt” en hij kon de kachel niet aanmaken omdat hij geen hout had. “Waar kan ich brenholz kopen”, besloot hij “ich hab brenholz nodig vandaag”, voegde hij er onzeker aan toe. Hij had zijn laatste zin nog niet afgemaakt toen er rumoer in de ruimte ontstond. Ineens werd hij door iedereen aangesproken, kreeg schouderklopjes op beide schouders en moest iedereen de hand schudden. De mannen praatten allemaal tegelijk tegen hem maar van het Hongaars kon Gerrit niets verstaan. Hij knikte vriendelijk tegen iedereen die zich rond hem had verzameld.

De secretaresse van de burgemeester van Kisvidék was de enige die een beetje Duits kon maar van de Hongaarse mannen die nu druk bezig waren met kennis maken met Gerrit, sprak bijna niemand een woordje over de grens. De betekenis van het woordje “Brennholz” kende echter iedereen, van jong tot oud. Vooral als dat door een buitenlander werd uitgesproken want “Brennholz” was het synoniem voor een lucratief handeltje zonder moeite en dat wilde iedereen. Gerrit voelde zich steeds minder op zijn gemak tussen die opdringerige Hongaren en de verwarrende situatie maakte hem onzeker. Eerst stonden zij hem uit te lachen en een paar minuten later gedroegen zij zich zo amicaal alsof ze hem al jaren kenden.

Een kleine man in een tot op de draad versleten werkbroek redde Gerrit uit de benauwde situatie. Hij trok hem mee naar de naastgelegen kamer en sloot de deur, de groep pratende Hongaren in de andere kamer achterlatend. Gerrit was verbouwereerd door de kracht waarmee de oude man hem had vastgepakt maar was tevens opgelucht. Hij vroeg zich af met wie hij nu weer te maken kreeg. Het tenger gebouwde mannetje met handen als kolenschoppen lachte vriendelijk naar Gerrit en stelde zich voor. Hij heette Lájos en woonde al zijn hele leven in het dorp en was vroeger herenboer geweest. Lájos was inmiddels de tachtig gepasseerd maar hij werkte nog iedere dag. Hij, en zijn vrouw Ági, hadden nog kippen en varkens op de boerderij en hij bewerkte nog steeds een paar hectaren land. Ook bezaten ze een groot stuk bos dat meer dan voldoende brandhout opleverde.

“Ik heb mooi droog brandhout voor je, op maat gezaagd en gekliefd, kan je meteen gebruiken”, zei Lájos met zachte stem in gebroken Duits. “De handelaar in het dorp heeft geen droog brandhout”, ging hij verder “en die lui van hiernaast, die laten je veel te veel betalen”, voegde hij er half fluisterend aan toe. Lájos was een man met het hart op de goede plaats. Hij kon het niet verdragen dat men misbruik maakte van de onwetendheid van een nieuweling. Lájos was blij met de nieuwe dorpsbewoner want het dorp had te kampen met een heuse leegloop. De jongeren trokken weg naar de stad, op zoek naar werk en regelmatig verruilde een van de in het dorp overgebleven oudjes zijn huis voor een plek op het kerkhof op de heuvel. Bovendien wist Lájos dat de houthandelaar verderop in het dorp alleen vers gekapt hout op voorraad had en dat die dat zonder enige schroom aan de argeloze Gerrit zou verkopen. Met dat natte hout kreeg de nieuweling zijn kachel niet aan het branden. Lájos kon zoiets niet verkroppen en hij vond het vanzelfsprekend de nieuweling te helpen. Hij had thuis een enorme voorraad hout liggen, veel te veel om zelf op te kunnen maken en daarom bood hij Gerrit aan een kar hout te brengen. “Ik vraag wel een paar man de kar vol te laden en die brengen het straks bij je thuis”, zei Lájos. “Je bent toch die Nederlander die de oude boerderij aan de rand van het dorp heeft gekocht? Die bouwval, aan het eind van het kleine straatje, die al meer dan tien jaar leeg ligt”, zei hij en ging rechtop zitten.  “Over de prijs, maak je maar geen zorgen”, ging hij verder, “die is hetzelfde als bij de houthandelaar, vraag maar na als je wil.” Gerrit wiebelde onrustig op zijn stoel en herkauwde op de woorden van Lájos die hem precies wist te vertellen welk huis hij had gekocht.

De makelaar in Hongarije had Gerrit en Toos bij de bezichtiging verteld dat het huis altijd bewoond was geweest. Een oude man was er alleen achtergebleven nadat zijn vrouw was gestorven en omdat hij niet meer voor zichzelf kon zorgen, vandaar die enorme rommel in het huis, wilde de zoon zijn vader in huis nemen en had de boerderij in de verkoop gedaan. En nu zat Lájos hem te vertellen dat het huis meer dan tien jaar leeg had gestaan. Gerrit begreep er niets van en vroeg zich af waarom die oude man dan niet bij het tekenen van de koopakte was geweest. Wie was dan die vlotte kerel die eigenaar van het huis was geweest toen hij het kocht…? Een bescheiden kuchje van Lájos deed Gerrit opschrikken uit zijn overpeinzingen. “Schön, danke viele male voor das hout, ik ben seer blei ermee”, antwoordde Gerrit snel in zijn beste Duits. Het verhaal van Lájos galmde nog na in zijn hoofd maar nu moest hij eerst de houtkwestie afhandelen. Nóg een nacht in de vrieskou zou hij en Toos niet overleven.

Het voorstel van Lájos beviel Gerrit wel. Hij zou natuurlijk terug kunnen gaan naar die anderen hiernaast of bij de houthandelaar gaan vragen maar hij had geen verstand van stookhout en al helemaal niet van de prijzen. Bovendien vond Gerrit dat kleine mannetje sympathiek en daarom leek het hem het verstandigst om niet moeilijk te gaan doen en gewoon op zijn voorstel in te gaan. “Ja goed, vandaag kommen sie dat hout brengen”, herhaalde Gerrit als bevestiging. “Danke viele male”, murmelde Gerrit terwijl hij zijn gedachten probeerde te ordenen. 

Lájos knikte vriendelijk en wilde opstaan maar Gerrit hield hem tegen. Hij zou hem nog van alles over het huis willen vragen maar hij was ook nieuwsgierig naar wat de secretaresse tegen hem had gezegd over dat lang slapen. “Sag mahl Herr Lájos, wie zit dat met die goedenmorgen, die jó reggelt, waarom moestte iedereen so lachen?” Lájos grinnikte geheimzinnig, nam zijn petje af, wreef met zijn andere hand een paar keer door zijn zilverwitte haren, zette het weer op zijn hoofd en ging zitten. “Het sind Wouter en Colette, die Holländer aus dit dorp, die slafen altijd lang. Wij staan ’s morgens om 6 uur op en in de zomer nóg vroeger, dan is iedereen aan het werk, die tijd is bij ons de morgen, de “jó reggelt.” Wouter en Colette slapen dan nog steeds. Die komen pas naar buiten als bij ons de morgen al lang voorbij is maar zij begroeten iedereen altijd met jó reggelt.” Lájos trok zijn stoel bij, boog zich naar Gerrit en pakte zijn arm vast. “Ik kan het weten want Wouter en Colette zijn mijn buren” zei hij trots.

Gerrit wilde iets zeggen maar verslikte zich. Zijn gedachten joegen als een sneeuwstorm door zijn hoofd en maakten hem duizelig. Eerst vertelde Lájos hem dat zijn huis jarenlang leeg had gestaan en nu hoorde hij dat er Nederlanders in het dorp waren! Hij en Toos waren in de veronderstelling dat het vrij onbekende land Hongarije nog niet ontdekt was. Dat zij een van de weinigen waren die het hadden gewaagd om in Hongarije te gaan wonen, ze waren ervan overtuigd dat ze de enigen in de weide omtrek waren en dat het aantal vakantiehuisbezitters wel meeviel. Dat was ook één van de redenen geweest waarom zij voor Hongarije hadden gekozen. Het avontuur aangaan in een onontdekt stukje Europa in plaats van de gebaande paden bewandelen en half Nederland in Frankrijk of Italië tegenkomen. 

Gerrit hoorde hoe Lájos met trots in zijn stem zijn verhaal vervolgde. “Wouter en Colette hebben het mooiste huis van het dorp, ze hebben van de oude boerderij een paleis gemaakt, alles verbouwd, ook het dak en alle schuren. Ik heb mogen meehelpen en daar ben ik trots op.” Lájos wachtte even, begon toen hevig te knikken en zei toen nogmaals: “Wouter en Colette zijn mijn buren!” Gerrit keek hem schaapachtig aan en Lájos ging onverstoorbaar verder: “En binnen is het als een paleis, ze hebben chique meubels, zoals in de grote stad en een badkamer met twéé wastafels. Je kan het nu niet zien maar als de sneeuw weg is moet je maar eens gaan kijken, ze hebben een tuin zo mooi als een park met een echt zwembad. Ze zijn heel erg rijk want Wouter heeft heel belangrijk werk”, zei hij bijna fluisterend. “Ieder jaar komen hij en zijn vrouw een paar keer op vakantie, Wouter zegt altijd dat hij hier goed kan uitrusten en hij vindt de Hongaren allemaal vriendelijk” voegde hij er in één adem aan toe. Lájos ontspande en zuchtte diep, hij was onder de indruk van zijn eigen verhaal. Gerrit bekeek de oude man die zelfverzekerd achterover leunde in de stoel, hij wist niet wat hij moest zeggen. Droogjes merkte hij op dat hij dat verhaal van dat lang slapen en die goedemorgen had begrepen en dat hij dat ook erg grappig vond. Na enige aarzeling bromde Gerrit:“Tja” en stond op. Hij gaf Lájos een stevige hand, zei nogmaals “Danke” en liep toen snel naar buiten. Op het bordes van het gemeentehuis bleef hij staan en keek naar de wat de straat moest voorstellen, die lag verstopt onder een dik pak sneeuw. Hij liep de trap af naar de straat en stapte in de sporen die een paar banden achtergelaten hadden in de sneeuw. Misschien was het wel het spoor van zijn autobanden van gisteravond toen ze hier langsgereden zijn op weg naar hun huis. Hij was blij dat hij straks hout kreeg voor de kachel en Toos zal wel trots op mij zijn dat ik dat zo snel geregeld heb, dacht hij, maar of Toos ook zo blij was met alles wat men Gerrit had verteld…..


© Asztrid


Aankomst in het nieuwe woonland Hongarije (3)

"Bestemming bereikt" klonk het plotsklaps uit het navigatiekastje boven het dashboard. Django had deze woorden schijnbaar begrepen, want hij ging meteen rechtop zitten en begon te hijgen. Het welkomstbord van Kisvidék stond als een eenzame lifter in de besneeuwde berm te wachten. Uit de overgebleven letters van een potje scrabble had men de tekst "üdvözöljük a Kisvidéken" op het bord tevoorschijn getoverd. "Kijk, we zijn er, het bord!" kirde Toos. Terwijl ze haar blik strak op het bord in de berm gericht hield, zocht ze paniekerig naar haar schoenen op de grond onder het dashboard.

Aan de linkerkant van de weg, hoog tegen een heuvel geplakt, lag het kerkhof van Kisvidék. In het blauwachtige licht van de nacht vormden een paar ranke grafstenen die boven de sneeuw uitstaken dunne schaduwlijnen op het sneeuwdek. De lange hoekige schaduwen leken op vingers, benige vingers van de dood die naar de langzaam rijdende BMW wezen en zeiden: "Jullie zijn de volgende."

 "In jener Nacht wusste Professor Abronsius noch nicht, dass er das Böse das er für immer zu vernichten hoffte, mit sich schleppte….." de slotzin uit de klassieker "Tanz der Vampire" vlamde spontaan op in Gerrits geest terwijl hij diep over het stuur gebogen de omgeving in zich op nam. Hij reed stapvoets verder.

"Hier motte we rechtsaf" fluisterde Gerrit en schrok van het harde tiktak geluid van de richtingaanwijzer. De auto met aanhanger draaide de hoofdstraat van Kisvidék op. Het maanlicht vulde de hele straat met een blauwachtig licht. Een wirwar van stroomdraden vormde een enorm spinnenweb dat boven de straat leek te zweven. De grote oude lemen huizen stonden zij aan zij, met hun luiken hermetisch gesloten. Het hele dorp leek verzonken in een diepe winterslaap. Zelfs de schoorstenen lieten geen rookpluimen meer ontsnappen. De enigen die op dit late tijdstip de komst van de nieuwe bewoners van Kisvidék opmerkten, waren de erfhonden die met hun geblaf de stapvoets rijdende BMW tot aan de andere kant van het dorp begeleidden tot waar de bebouwing ophield. Daar ging de brede straat over in een smal weggetje dat toegang verschafte tot het laatste huis van het dorp. Gerrit reed voorzichtig het steile weggetje naar beneden en stopte bij hun huis. "Bestemming bereikt", zuchtte hij.

De lichten van de auto verlichtten het antieke smeedijzeren hekwerk. Toos stapte uit en hield de sleutels in het licht van de koplampen. Gedurende de lange rit naar Hongarije had Toos talloze malen de grote ijzeren ring met roestige sleutels door haar vingers laten glijden en daarbij haar fantasieën over haar nieuwe leven in Hongarije de vrije loop gelaten. Nu was ze zenuwachtig op zoek naar de passende sleutel om de zware toegangspoort open te krijgen.

Gerrit zat ondertussen te wachten in de warme auto en Django hing met zijn kop tussen de hoofdsteunen van de stoelen en lebberde met zijn tong in Gerrits oor. Liefdevol trok hij trok de kop van het beest naar zich toe, streek met zijn gezicht langs de vacht van de hond en fluisterde: "Kijk Django, hoe onze Toosie daar staat te trappelen als een dressuurpaard met ADHD, dat schiet nie op he?" Hij zuchtte en dacht... Als dat nog lang duurt met die poort hoef ik me niet meer te wassen, die Djang heeft me dan al helemaal schoon geboend. Nee, me wassen doe ik morgen wel, ik ben kapot. De campingbedden, jassus-krastus, ik moet die krengen nog uitladen en in elkaar zetten. Ik blijf maar in de auto slapen, op de achterbank, lepeltje liggen met Django, die houdt mij wel warm.

Toen Toos de poort eindelijk open had gekregen, reed Gerrit langzaam over de besneeuwde oprijlaan naar binnen. Hij stopte voor het huis. Hij voelde zich rijk, dit was zijn eigendom, zijn paleis. Hij zette de motor af, stapte uit en keek om zich heen.  

Destijds tijdens de bezichtiging, had Gerrit het huis goed in zich opgenomen, maar eenmaal terug in Nederland hadden de intense indrukken na verloop van tijd plaats gemaakt voor vage herinneringen.
Nu stond hij tot aan zijn knieën in de sneeuw op de hof van zijn boerderij die er vervallen en verlaten bij lag. Deze rauwe realiteit drong als een kogel zijn lijf binnen. Ergens in een vreemd land, aan de rand van een dorp, aan het eind van een doodlopend straatje zonder straatverlichting en buurhuizen, waar zelfs het geblaf van de honden uit het dorp niet meer te horen was, lag een huis waar hij en Toos oud wilden worden. Gerrit moest dit alles even verwerken.

Toos had ondertussen de poort gesloten en liep naar het huis. Ze klom het trappetje op en schuifelde over de gladde veranda naar de meterkast die in de buitenmuur van het huis zat verstopt. Met de grote bos sleutels als een reuze bedelarmband om haar pols zochten haar vingers naar de hoofdschakelaar in de elektriciteitskast. Haar gedachten joegen als een sneeuwstorm door haar hoofd.... Jassus, als we maar licht hebben. Ik kan de stroom wel aanzetten, maar als ze geen lamp hebben laten hangen, zitten we nog in het donker. Nu de deur nog open krijgen. Sleutels, ah, welke? Ik ga het rijtje af of misschien toch maar die grote lange met die rare kronkel? Terwijl ze twijfelde over welke sleutel ze zou kiezen, liep ze naar de deur die vanaf de veranda direct toegang gaf tot één van de kamers van het langgerekte huis. Voorzichtig stak zij een grote roestige sleutel in het slot van de oude houten deur. Het slot maakte kreunende geluiden alsof het uit een diepe slaap ontwaakte....


Toos bleef in de deuropening staan, binnen was het aardedonker. Voorzichtig wreef ze over de muur op zoek naar een lichtschakelaar. Zou er licht zijn of zouden zij in het donker zitten en de nacht noodgedwongen in de auto moeten doorbrengen? Haar vingers stootten tegen de lichtschakelaar en met ingehouden adem draaide ze het knopje om..... Een zwak peertje in een porseleinen fitting hangend aan een tweelingsnoer vulde de kamer met een akelig gelig licht. Toos leunde tegen de deurpost en slaakte een diepe zucht. Wat een domper, dacht ze.

Bij de koop van het huis hadden ze afgesproken dat het huis leeg opgeleverd zou worden. Nu stond ze in de deurpost en kon geen stap in de kamer zetten. Oud meubilair stond tot aan het plafond opgestapeld en de door schimmel aangetaste prenten aan de muur en de grote gaten in de stuclaag van de wanden waren amper zichtbaar door de immense hoop ondefinieerbare troep in de kamer. De eigenaar en de makelaar hadden zich niet aan de afspraak gehouden. Toos staarde naar de overvolle kamer... Wat nu? En wat als Gerrit deze puinhoop ziet? Het was haar idee geweest om een huisje in het buitenland te kopen en een nieuw leven te beginnen. Ze had maanden lang iedere dag gevuld met kijken en zoeken op internet. Alleen al het idee van emigreren had haar iedere keer weer zenuwachtig gemaakt. En nu was het de aanblik van de overvolle kamer die haar zenuwen probeerde door te zagen. Ze hoorde hoe Gerrit naderde en iedere voetstap die hem dichterbij bracht deed haar ademhaling versnellen....


"Tering, krijg nou tieten" schreeuwde Gerrit toen hij over haar schouder naar binnen keek. Ze hoorde hem hijgen en voelde hoe zijn adem haar haren in beweging zette. Snuivend als een stier bleef hij naast Toos staan. Ook hij kwam niet verder dan de deurpost. "Ze hebben ons besodemieterd, wat een puinbakkenzooi" brieste hij. "Wáár motte we slape, gotver, ik ga in de auto slape" tierde hij met hoge stem. Woedend draaide hij zich om, liep stampend over de veranda naar de voorkant van het huis en smeed zijn overjarige Stetsonhoed in de sneeuw. Terwijl Toos hoorde hoe Gerrit verderop bezig was met stoom afblazen, bestudeerde zij gelaten de inhoud van de bomvolle kamer. Gelukkig hoort niemand hem, dacht ze, en begon met het uitruimen van de kamer.
© AdeB





Django de bouvier van Gerrit en Toos (2)

Gerrit keek achterom en zag hoe Django breeduit lag te slapen. Het massieve lichaam van de bouvier lag verspreid over de achterbank van de auto. Slapen is een van Django's lievelingsbezigheden en tijdens de lange rit naar hun nieuwe woonland Hongarije, had de hond zijn uren gevuld met die bezigheid.

De slapende hond deed Gerrit onherroepelijk terugdenken aan zijn versleten werkschoenen waarvan hij iedere keer weer dezelfde exemplaren kocht. Met het vertrek naar Hongarije had hij een paar oude lievelingsschoenen weggegooid want de hele inboedel moest in één grote aanhangwagen passen. Alle overbodige spullen had hij via Marktplaats verkocht, de rest van de spullen weggegooid. Hij mijmerde voor zich uit, zelfs die versleten stappers weggooien, dat was een moeilijke beslissing geweest want de schoenen en Django hadden behalve hun zwarte kleur, nog meer met elkaar gemeen..............
Gerrit had die dag gereserveerd om nieuwe werkschoenen te gaan kopen in zijn lievelingszaak ergens aan de rand van de stad. Een enorme dumpstore waar werkkleding, legerspul en camouflagebroeken met bijbehorende legerkistjes verkocht werden. Een plek waar Toos zich helemaal ontheemd zou voelen, zij is meer van de van lekkere luchtjes, damesmode, tassen, en vooral keukenartikelen. Daarom was Toos die dag vroeg opgestaan om de woonkamer een grondige poetsbeurt te geven en Gerrit had die woordenloze hint meteen begrepen. Hij ging alleen op pad.

Hij was verslaafd aan die robuuste halfhoge zwartleren stappers met stalen neuzen. Hij had al twee paar van hetzelfde model versleten en wilde nu weer dezelfde kopen. Jet, eigenaresse van de zaak, kende het koopgedrag van Gerrit inmiddels. Zij verwelkomde hem met een brede lach terwijl de hoge winkeldeur net iets te hard achter hem dichtsloeg. Gerrit hield niet van eindeloos ronddolen in een winkel. Hij wist precies wat hij wilde en dus liep hij doelgericht naar het rek waar zijn lievelingsschoenen stonden. Hij plukje blindelings maatje 42 uit het rek en wandelde zonder omwegen naar de toonbank. "So, één paar bordeelsluipers" lispelde hij en liet de zware schoenen neerploffen op de glazen toonbank. Meteen boog hij zich diep voorover over de bekraste glasplaat heen, alsof hij een blik in het diepe decolleté van de winkeljuffrouw wilde werpen. "Wat hejje daar voorne kruiseruiker zitte?" vroeg hij.

In een hoekje achter de toonbank lag een bouvierpup in een kartonnen doos. Met een stuk touw vastgebonden aan een stalen voorraadrek. De gitzwarte bouvierpup had zich blijkbaar al neergelegd bij zijn geketend leven in een winkel, want hij lag half op zijn rug in de doos te slapen. Terwijl de winkeljuffrouw Gerrits schoenen in een grote plastic zak liet vallen zuchtte ze: "Ik wor er helemaal turelúúr van, hij mot weg." Die opmerking trof hem zodanig waardoor het leek alsof één van de scherpe messen, tentoongesteld onder de glazen toonbank waar hij op dat moment met zijn volle gewicht op leunde, zijn lichaam was binnengedrongen. Gerrit bleef roerloos voorovergebogen staan, zijn ogen gericht op de doos gevuld met de zwarte breiwol. Heel langzaam kwam hij overeind, fronste zo diep dat zijn wenkbrauwen elkaar raakten, haalde met zichtbare tegenzin zijn beurs uit zijn broekzak gooide een 100 eurobiljet op de toonbank en siste "Jet, ik ga nie dokken voor da beest."De reactie die Gerrit van Jet verwachtte, bleef uit. Jet timmerde driftig met haar lange kunstnagels op de kassa, spreidde het wisselgeld uit op de toonbank en gooide met een smak de kassalade dicht en deed de schoenen in een plastic zak. Vervolgens keek ze hem een moment strak aan en draaide zich daarna resoluut om.

Grote gebaren makend, alsof ze in slow motion haar evenwicht aan het verliezen was, stapte ze, met in haar ene hand de plastic zak en in haar andere het stuk touw, zwijgend op Gerrit af. Ze ging vlak voor hem staan en stak haar handen in de lucht. Nog voordat Gerrit zich bewust werd van de té kleine afstand tussen zijn lichaam en het hare, hief hij ook zijn armen, nam de plastic zak in de ene hand en het touw in de andere. Het uiteinde van het touw danste op en neer als een zweep, de puppy was op slag veranderd in een op hol geslagen plumeau. Jet draaide zich snel om en trippelde naar de winkeldeur, opende het gevaarte met een groots gebaar en maakte een bijna onzichtbaar buiginkje. "Véél plesier ermeej en tot ziens, doeggggg" klonk het allervriendelijkst uit haar mond. Gerrit kon niet anders dan gehoor geven aan deze overweldigende zelfverzekerdheid. Met de plastic tas in de ene hand en het touw met de puppy eraan in de andere verliet hij de winkel.

Het stuk touw schijnt onlosmakelijk bij de hond te horen, dacht hij toen hij de puppy op de achterbank zette en het touw vastmaakte aan een van de hoofdsteunen. De pup zakte door zijn poten en was blijkbaar weer in zijn slaapstand terechtgekomen. Tijdens het ritje naar huis verroerde hij zich niet, alsof hij wist dat hij zich vanaf nu moest gaan gedragen. Op de terugweg naar huis restte Gerrit weinig tijd om een geloofwaardig verhaal te verzinnen…..Hij dacht na wat hij als als reden zou gaan opvoeren voor die pup: gevonden langs de weg… een cadeautje..... Allemaal ongeloofwaardig, concludeerde hij, net zo ongeloofwaardig als vertellen dat hij zich dat beest in zijn handen had laten duwen door een verkoopstertje. Toos zou meteen haar kookpunt bereiken als hij met dit verhaal op de proppen zou komen…

Gerrit stapte met de hond de woonkamer binnen en meteen drong de indringende geur van lelietjes van dalen schoonmaakmiddel zijn neus binnen. Jasses-krastus, gepoetst, dacht hij. De geur maakte de situatie nog erger dan hij verwacht had. Hij nam plaats op de leren bank en leunde achterover. Uit het plafond daalde het brommende geluid van de stofzuiger op hem neer. Hij sloot zijn ogen zodat hij niet in de ruimte aanwezig hoefde te zijn, nam de pup op zijn schoot en wachtte…..........



Leunend tegen het spatbord van zijn BMW ergens langs de kant van een weg die naar hun Hongaarse huis zou leiden, bekeek Gerrit zijn schoenen. De koude lucht deed hem rillen en hij keek op naar Toos. Die was bezig Django over te halen om een plasje te doen. De 60 kilo zware bouvier, op zoek naar een geschikt boompje om een vlaggetje tegenaan te plakken, trok Toos moeiteloos mee in de diepe sneeuw. Dat Toos zo verliefd was geworden op Django had hij nooit verwacht, ook niet dat Django een paar jaar later ook op weg was naar Hongarije.

Gerrit had zich laten vertellen dat Hongaren bang zijn voor honden. Vooral voor grote exemplaren én zwarte. Hij vond daarom dat hij geluk had omdat hij die grote zwarte bouvier bezat. Het enige nadeel was dat de hond geen vlieg kwaad deed. Hij hoopte maar dat dat niemand zou opvallen. De imposante verschijning van 'de tank' zoals hij hem noemde, zou voldoende zijn om die mooie, maar ook afgelegen plek te bewaken. Hij had altijd in de stad gewoond en de overstap naar het buitenland naar een huis aan het eind van een dorp, waar de tijd afwezig was en de buren onzichtbaar, dat maakte hem onzeker. Hij staarde in de donkere kleurloze wereld van Hongarije en liet zich ongewild meevoeren door zijn overactieve geest:  afgelegen, bewaking, zwart, hond, bang… Hij rilde.

De avond leek nacht en de sneeuw ontnam ieder geluid het recht op een echo. Zelfs het schuren van zijn ademhaling klonk dof en leek zich af te spelen in zijn hoofd. De stilte van het besneeuwde Hongaarse landschap was overweldigend. Hongarije bleek aan het einde van de wereld te liggen, verstopt onder een dikke witte deken. Inmiddels was Toos weer terug bij de auto met Django, en ze vervolgden hun reis. De navigatie gaf aan dat het eindpunt, Kisvidék, nog 40 km van hen verwijderd lag. Op aandringen van Toos was hij zelfs op een bepaald moment nog een stukje teruggereden om zeker te zijn dat de navigatie nog van zich zou laten horen als het fout ging. Toen na een paar honderd meter de navigatiedame met een schelle stem met 'You're going the wrong wayyy' haar ongenoegen uitte, was Toos gerustgesteld. Ze zaten nog steeds op de goede weg.

Op weg naar een nieuw leven in Hongarije in het kleine dorp Kisvidék. In de zomer een paar jaar geleden was hij, maar vooral Toos als een blok gevallen voor het oude, maar knusse Hongaarse huis aan het eind van een doodlopende straat. Een geweldige plek waar de buren op minstens honderd meter afstand wonen. Met uitzicht op een dal met akkers die zich als een groen gele quiltdeken uitstrekken tot aan de bosrand.  Een nieuw leven beginnen, emigreren naar Hongarije, weg uit dat drukke Nederland en die rumoerige stad waar de geluiden nooit stilstaan.

© Asztrid